Twaalf ambachten, dertien successen

Ed Waisvisz over zijn tijd in Indië en verdere levensloop

Stuurman Ed Waisvisz. Foto: Familiealbum Ed Waisvisz.
Eduard Arnold (Ed) Waisvisz is geboren te Sintang (West-Borneo) op 17 juni 1937 als tweede zoon van het Joodse echtpaar Max Waisvisz en Eveline de Jong. Zijn vader was destijds Controleur Binnenlands Bestuur in Sintang. Ed bracht zijn eerste levensjaren in redelijke welstand door en werd niet religieus opgevoed. Eind 1941 werd zijn vader overgeplaatst naar Palembang op Sumatra en verhuisde het hele gezin mee.

Toen de Japanners Sumatra aanvielen vertrok moeder met Ed en zijn 2,5 jaar oudere broer Herman naar Java. Onderweg in de trein vanaf Palembang zagen ze de brandende olievelden. Ze bereikten Java veilig en vestigden zich in Bandoeng. Al snel na de Japanse bezetting werd vader Max geïnterneerd in Muntok op het eiland Bangka.
Ed Waisvisz met vader en broer, Sintang 1938. Foto: Familiealbum Ed Waisvisz.
Met moeder, Ed Waisvisz 10 maanden, Sintang. Foto: Familiealbum Ed Waisvisz.

Japanse kampen

'Eind april 1943 werden vrouwen met hun kinderen geïnterneerd in Tjihapit, een afgeschermde woonwijk in het noordoostelijk deel van Bandoeng. Aanvankelijk kon er nog wat gehandeld worden met de buitenwereld. Door de afrastering, het gedek, heen ruilden vrouwen kledingstukken voor eten. Ook mijn moeder stond bij het gedek toen een Japanse wacht die rond het kamp liep de vrouwen verjoeg door zijn geweer met bajonet door de afrastering heen te steken. Hij raakte mijn moeder in haar gezicht. Zij heeft daar haar hele leven een litteken aan haar lip aan overgehouden.
Eind 1943 werden we overgeplaatst naar het Adek kamp, nabij de spoorlijn van het Koningsplein naar Meester Cornelis. Op deze locatie van het Algemeen Delisch Emigratie Kantoor, waar voorheen koelies werden geworven voor de tabaksplantages in Deli, werden we in barakken geplaatst. Het kamp was omheind met prikkeldraad en gedek. Na drie of vier maanden werden we opnieuw overgeplaatst, ditmaal naar Tangerang. Dit kamp was ondergebracht in de jeugdgevangenis Tanah Tinggi ten westen van Batavia vlakbij de spoorweg. Wij verbleven daar ongeveer een half jaar tot maart 1944 en werden toen weer teruggebracht naar het Adek kamp.’

Ed Waisvisz, 4 jaar. Foto: Familiealbum Ed Waisvisz.

Aparte afdelingen

'Zowel in Adek als in Tangerang waren aparte afdelingen voor Joden en Irakezen. Wij werden bij Joodse gezinnen geplaatst, maar aangezien wij niet religieus waren opgevoed, had ik daar zelf weinig besef van. In Aanspraak las ik later dat de Duitsers er bij de Japanners op hadden aangedrongen om Joden apart onder te brengen en dat dit de reden was voor de gescheiden barakken. De tellingen van de gevangenen tijdens het appel in de brandende zon duurden eeuwig, vooral omdat er steeds opnieuw geteld moest worden. Als er vrouwen ontbraken, werd er geslagen met een zweep. De hysterie maakte een grote indruk op mij als kind.
Als er geen appels waren, maakten de kleine kinderen overdag van het veldje gebruik om te spelen. Dat was alleen toegestaan zolang het nog niet donker was. Toen wij dit toch een keer deden, kreeg een Japanner dit in de gaten. Hij kreeg mij te pakken en ik moest tien rondjes om het veldje heen lopen waarbij ik met mijn handen kruislings mijn oor en neus moest vasthouden. Daarna trapte hij mij hard in mijn rug en stuurde ons weg. In mijn herinnering werd ik geraakt door een zeer grote laars. In werkelijkheid zal hij geen grote voet gehad hebben, maar voor een kind van mijn leeftijd leek het een reuzenlaars. Volgens mijn broer vloog ik als een voetbal door de lucht. Ik had ontzettende pijn in mijn rug, maar gelukkig werd dat in de dagen daarna minder. Na de oorlog kreeg ik helaas veel last van mijn rug. Wat mij van Adek verder bijstaat is het lijkenhuis. Iedere dag stierven er mensen en liep ik als kind langs de doden en verwonderde mij over de dingen die ik zag. Zo herinner ik mij dat ik me afvroeg of de vlieg die het ene neusgat inging dezelfde was die uit het andere neusgat kroop. Pas veel later begreep ik dat dit niet kon, maar toen wist ik nog niet dat er zoiets als een neustussenschot bestond.’

Mijn vader, Max Waisvisz. Foto: Familiealbum: Ed Waisvisz.

Bevrijding en repatriëring

‘De bevrijding in augustus 1945 maakten wij in Adek mee. Toen wij het kamp onder de bescherming van Engelsen mochten verlaten, zag ik onderweg hoe Japanners op een vrachtwagen werden ingeladen. Van een paar soldaten werden de polsen gebroken zodat zij niets meer konden uitrichten. Het geluid van mensen die op kippenbotjes knagen herinnert mij daaraan tot op de dag van vandaag.
Met een amfibievoertuig werden wij naar een schip gebracht. Er was ineens voldoende te eten – de Engelsen hadden loodsen vol met proviand aangetroffen; voedselvoorraden die door de Japanners waren vastgehouden. De kinderen kregen aan boord zelfs wat snoepgoed. Een ware traktatie. Via Batavia zijn wij uiteindelijk in Medan terechtgekomen. Mijn vader had de oorlog overleefd, maar ik herkende hem bij het weerzien op Sumatra nauwelijks. Hij had een baard en zijn buik was helemaal opgezwollen door oedeem. Wij vernamen daar dat mijn grootouders en andere familieleden in Nederland de oorlog niet hadden overleefd en in Polen waren vermoord.
Vanwege mazelen en ondervoeding ben ik nog enige tijd in het ziekenhuis opgenomen. Uiteindelijk konden wij eind 1946 naar Nederland afreizen met het motorschip Sommelsdijk. Onderweg kregen wij in Attaca warme kleding, want het was koud bij de aankomst in Rotterdam. Wij konden enkele maanden bij een tante van mijn moeder in Den Haag intrekken en vonden daarna onderdak in een pension.’

Familie Waisvisz in Den Haag eind 1946 met de in Attaca verkregen winterjassen. Foto: Fotoalbum Ed Waisvisz.

Terug in Indië

‘In 1947 ging mijn vader terug naar Indië, waar hij assistent-resident van West-Java werd. Wij reisden hem in 1948 na en vestigden ons in Batavia, waar ik de lagere school bezocht. In 1949 verhuisden wij naar Soerabaja omdat mijn vader daar een positie kreeg als assistent-resident 1e klas. Ik volgde daar nog enige maanden onderwijs op een School met den Bijbel. Na de soevereiniteitsoverdracht in december 1949 vertrok ons gezin medio 1950 naar Nederland met de Johan van Oldenbarnevelt. Wij ontscheepten in Amsterdam en namen onze intrek in een pension in Arnhem. Ik ging daar met enige moeite de hbs-a volgen omdat ik maar vier klassen van de lagere school had doorlopen. Eind 1950 verhuisden wij naar Heemstede waar ik de hbs-b ging volgen. Een van onze buren in Heemstede was stuurman en door hem werd ik enthousiast over de zeevaart. Ik wilde de wijde wereld in en zo de vrijheid ervaren. Vanuit de derde klas hbs vertrok ik naar Vlissingen voor een studie op de zeevaartschool.’

Zeevaart

'Ik behaalde het diploma in 1957 en nam dienst bij de Stoomvaart-Maatschappij Nederland als stuurmansleerling. Het leven en werken aan boord beviel mij uitstekend, maar als ik vier uur moest wachtlopen op een werkdag van tien uur kreeg ik steeds meer last van mijn rug. Ik studeerde ondertussen voor derde stuurman op de grote handelsvaart en behaalde het diploma in 1959. In datzelfde jaar werd ik ondanks afwijkingen in mijn rug goedgekeurd voor de opleiding tot reserveofficier bij de Koninklijke Marine.
In 1960 trad ik in dienst bij Stanvac (ESSO) als derde stuurman grote handelsvaart naar Indonesië. Het was voor mij plezierig om mijn geboorteland weer te bezoeken, maar het wachtlopen betekende iedere dag zes uur op en zes uur af en viel mij zwaar vanwege de pijn in mijn rug. In 1961 volgde na vijftien maanden dienst ontslag vanwege de verslechterde relaties met Indonesië. Ik ging terug naar Nederland en kon als derde stuurman aan de slag gaan bij de Iranian Tanker Company. In november 1962 behaalde ik het diploma voor tweede stuurman en ging door in het theoretisch deel van de opleiding voor eerste stuurman.
Vanwege de toenemende rugklachten moest ik echter ophouden met varen en zocht ik een functie aan wal. Zo kwam ik eind 1963 terecht op het scheepvaartkantoor van de firma Vinke & Co. Als ik de Japanners iets bijzonder kwalijk neem is het wel dat zij mijn zo begeerde carrière en fijne tijd in de zeevaart door die trap in mijn rug hebben gedwarsboomd.’

Van loondienst naar een eigen bedrijf

‘Begin 1964 ontmoette ik Waanderdina (Wanda) Schurgers. Op 3 augustus van datzelfde jaar trouwden wij. Tot op de dag van vandaag zijn wij onafscheidelijk samen en delen wij lief en leed. Wij woonden toen in Amsterdam en ik ging werken als redacteur van het tijdschrift Bedrijf en Techniek bij de Diligentia Uitgeversmaatschappij. In 1969 zette ik voor uitgeverij Born het succesvolle tijdschrift Bedrijfsdocumentaire op. Wij verhuisden naar Osdorp, maar door interne spanningen vertrok ik bij de uitgeverij en begon ik een eigen bedrijf voor industriële documentatie in Vinkeveen.’
Trouwfoto Ed en Wanda Waisvisz, 3 augustus 1964. Foto: Fotoalbum Ed Waisvisz.

Grafologie en schriftexpertise

‘Mijn vrouw Wanda moest wegens gezondheidsredenen haar baan als doktersassistente opgeven en wilde iets gaan doen met haar belangstelling voor kalligrafie en handschriften. Aangezien ik haar bracht en ophaalde, besloot ik zelf de opleidingen ook te volgen en zo werden wij samen gediplomeerd schriftkundigen en erkende en beëdigde schriftexperts. Samen richtten wij in 1980 het Algemeen schriftkundig bureau E. en W. Waisvisz op. Wij specialiseerden ons in schriftexpertises, contra-expertises, identiteitsonderzoek en schrift-psychologische analyses. In de loop der jaren kregen wij steeds meer opdrachten vanuit de politie, justitie en advocatuur, maar ook uit het bedrijfsleven en van particulieren, waarbij wij werden aangezocht als contra-experts tegen het Nederlands Forensisch Instituut (destijds het Gerechtelijk Laboratorium). Verschillende rechters namen onze conclusies over in hun vonnissen.’
Op het kantoor aan huis bevinden zich vele uitgebreide dossiers en bedankbrieven rond de zaken waarbij zij als experts werden betrokken. Van simpele fraudezaken met valsheid in geschrifte tot aan de geruchtmakende Deventer moordzaak aan toe, waarbij zij gebruik maakten van schriftvergelijking, een gangbare techniek in forensisch onderzoek. ‘Je kijkt dan onder meer naar de vorm en textuur van het handschrift, de hellinghoek, de ronding, de verbondenheidsgraad, de lettersoort, de ruimte om te schrijven, spelfouten en interpunctiegebruik.’

Ed en Wanda Waisvisz, 2018. Foto: Familiealbum Ed Waisvisz.

Niet stilzitten

Hoewel zij beiden de tachtig al zijn gepasseerd en tobben met hun gezondheid wordt er af en toe nog steeds een beroep op hen gedaan als experts in rechtszaken en zit het echtpaar niet stil. Wanda voelt vanuit de betrokkenheid bij haar woonomgeving verantwoording voor het wel en wee van mensen en dieren en wijst instanties op gevaarlijke of ongewenste situaties. Ed verwondert zich vaak over wat hij ziet en meemaakt en denkt dan: ‘Ben ik de enige die ziet dat er iets mis is en dat simpel verbeterd kan worden?’ Zo schreef hij brieven over het gevaar van stoepranden in tunnels die volgens hem beter zichtbaar zouden zijn als die zwart-wit geblokt zouden worden. Het duurde nog jaren voordat hij dit idee gerealiseerd zag worden. Ook heeft hij ideeën voor uitvindingen, waaronder een boormachine waarbij de boren zijn te verwisselen met een simpele druk op een knop, zoals bij een balpen met verschillende kleuren stiften. Deze uitvinding resulteerde in octrooien in Nederland en Amerika. Praten over de oorlog blijft hij lastig vinden, maar rechtvaardigheid is en blijft van groot belang.

Interview: André Kuijpers, PUR-cliëntenblad Aanspraak, maart 2020.