Blijf bij gevaar altijd in het midden!

Dolf Evers overleefde de aanslag van Pemoeda’s op Ambarawa 8.

Na de bevrijding door het Britse leger van het Japanse mannenkamp ‘het 15e Bat’ in Bandoeng, ging Dolf Evers met zijn vader naar het vrouwenkamp Ambarawa om zijn moeder op te sporen. De vreugde van de hereniging met haar duurde niet lang, want op dit kamp werd enkele dagen later een bloedige aanslag gepleegd met geweervuur en handgranaten door Pemoeda’s, geradicaliseerde Indonesische vrijheidsstrijders.

Er vielen negentien doden en zo’n veertig gewonden. ‘De gewelddadige Bersiap-periode in Nederlands-Indië vlak na de Tweede Wereldoorlog mag niet vergeten worden’, aldus Dolf Evers, die daarom hier zijn verhaal met u deelt.

Dolf Evers. Foto: Ellen Lock

Gevangen door de Japanners

‘Op 24 maart 1927 ben ik geboren in Tilburg als Adolf Andreas Josef Evers in een katholiek gezin. Ik werd kortweg Dolf genoemd en had twee oudere broers, Henk (1917) en Bob (1924). Wij verhuisden naar Nederlands-Indië en mijn vader werd politiecommissaris in Solo. Toen de oorlog in Nederlands-Indië begon, was ik 15 jaar. Ik ging naar de hbs en droomde ervan militair te worden. Mijn oudste broer Henk zat al bij de Marine in Soerabaja. Spoedig na de capitulatie in maart 1942 werden wij evenals vele andere Europese gezinnen naar opvangkampen gebracht. Ongeveer 1.300 mannen, vrouwen en kinderen waren door de massale plunderingen na de intocht van de Japanse troepen dakloos geworden. 

In het midden op de grond Dolf Evers in kleermakerszit, moeder, Bob, vader bij de politiekazerne, Balapoelang 1934. Foto: Familiealbum Dolf Evers.

Wij werden als gezin naar het Gouverneurshuis in Solo gebracht, een opvangkamp waar je in en uit kon lopen. Mijn vader en Bob werden naar de gevangenis in Ngawi gebracht en opgesloten. Op 27 december 1942 werden mijn moeder en ik naar het vrouwenkamp Soemowono bij Ambarawa op transport gesteld, waar ik voor het eerst corvee moest doen samen met een leeftijdgenoot, Henk Schuyl. We hadden meteen een goede klik en bleven tot het einde van de oorlog bij elkaar.’

Het afscheid van mijn moeder

‘Nog in december 1942 werden in kamp Soemowono de oudere jongens van hun moeders gescheiden. Bij mijn vertrek hield mijn moeder in tranen haar linkerhand voor haar mond en met haar andere hand zwaaide ze me uit. Dat moment van intens verdriet vergeet ik nooit meer. In het volgende kamp Djoen Eng, genoemd naar de vorige eigenaar van dit grote Chinese huis in Salatiga op Midden-Java, ontmoette ik tot mijn geluk Henk Schuyl weer. Ik kon hem geruststellen dat zijn moeder het goed maakte. Hij ontfermde zich over mij.’

Mijn moeder en vader in zijn politie-uniform, Sumatra 1919. Foto: Familiealbum Dolf Evers.

Een kongsi vormen om te overleven

‘Begin 1944 werden Henk en ik met een groot aantal mannen per trein overgebracht naar een mannenkamp in Bandoeng, het 15e Bat. Het was een afschuwelijke treinreis in overvolle stinkende wagons. Het 15e Bat was een oude KNIL-kazerne met grote opslagplaatsen. Dit terrein diende nu als Japans kamp voor 9.000 krijgsgevangenen. Wij werden ondergebracht in Blok N, waar je een slaapplaats had op de grond van maar 60 centimeter breed.

De jonge jongens vormden al snel een kongsi, een verbond, omdat je werd lastiggevallen door ouderen, die je voedsel afpakten of je wilden betasten. Zo werden wij snel volwassen en moesten we flink van ons afbijten. Alleen redde je dit niet, omdat je door de honger of ziekte te verzwakt was. Henk Schuyl en nog twee anderen bleven altijd bij me en wij probeerden zoveel mogelijk eten voor elkaar te vergaren.

Vader, Dolf, Henk, Bob, moeder, 1930. Foto: Familiealbum Dolf Evers.

Henk en ik regelden corveeklussen bij de Japanse kampkeuken, zo konden we nog wat extra voedsel uit de vuilnisbak halen. Achteraf denk je ook terug aan je eigen ongepaste gedrag. Vanwege de honger sloot je ook wel eens een keer extra aan in de rij om stiekem nog een tweede portie te bemachtigen. Ik denk nog vaak aan een oudere man van vijftig die wij altijd te slim af waren bij het verdelen van het brood.

Vader, Dolf, Bob, moeder, Henk. Op de kader in Suez. 1934. Foto: Familiealbum Dolf Evers.

We gaven hem altijd het kleinste stukje. Nu schaam je je diep daarvoor, maar toen was overleven het enige wat telde. Vanwege de honger wilde ik een corveedienst in ruil voor extra eten. Ik werd ingedeeld als ‘wasbaas’ om de was van de ziekenbarak te verzorgen, maar ik liep al snel ook dysenterie met flink hoge koorts op. Een priester wilde me al de laatste sacramenten geven, want hij dacht dat ik zou sterven. Hoewel ik doodziek op bed lag, weigerde ik de laatste sacramenten te ontvangen. Ik wilde blijven leven!’

Dolf Evers na zijn eerste communie, 1934. Foto: Familiealbum Dolf Evers.

Betrapt en gestraft

‘Dagelijks ondergingen wij de akeligste pesterijen van de Koreaanse en Japanse kampbewakers. Zo bonden ze een hond aan een touw, zwiepten hem rond en sloegen hem dood tegen een boom. De afgeranselde gevangenen werden in een klein houten hok met golfplaten dak gestopt, dat enorm heet werd in de brandende zon. Als je één keer niet boog voor een bewaker dan kon je daar al belanden. Je hoorde en zag de lijfstraffen elke dag als je terugkwam van het corvee buiten het kamp. In augustus 1944 raakte ik verwikkeld in een incident met een ernstige Japanse afstraffing hiervoor. 

Op een dag moesten wij ‘aarde verplaatsen’ buiten het kamp. Ze brachten ons erheen in vijf legertrucks met vijf gevangenen per cabine. Wij werden gedwongen met pikhouwelen kuilen zand af te graven voor het ophopen van tankwallen. Zo laadden en losten wij onze lading een aantal malen en ontdekten een aantal Indische dames langs de weg met eten. De Javaanse bewaker, Ragimin, een vriendelijke Heiho-soldaat, zat bij ons in de cabine en liet de vrachtwagenchauffeur langzaam rijden, zodat wij dit eten van de Indische dames konden aannemen. Maar dit was volgens de Jap streng verboden. Even later werden we mét dat etenswaar bij ons, door een Japanse soldaat aangehouden. Hij stond wijdbeens met de handen in de zij voor onze legertruck en schreeuwde dat wij hiervoor gestraft zouden worden. Wij moesten het eten afstaan. Hij nam onze bewaker Ragimin mee en ranselde hem af met zijn houten samoerai zwaard. Ragimin kwam pas na twintig minuten met een bebloed gezicht bij ons terug. 

Bij terugkeer in het kamp straften ze eerst de andere vijftig gevangenen voor ons vergrijp. Zij moesten in een lange rij tegenover elkaar gaan staan om de ander te slaan. Als je dit niet hard genoeg deed, dan sloegen de bewakers je alsnog ‘omdat je geen respect toonde voor de Japanse keizer.’ Even later kregen wij zelf de straf voor het illegaal stelen van voedsel. Een Japanse soldaat sloeg ons vijven met een stok op de rug, een andere Jap gaf je met zijn koppelriem net zoveel slagen als je leeftijd eveneens op je rug. Hier probeerde ik in het midden te gaan staan, want dan ben je minder kwetsbaar als er geslagen wordt door de vijand. Daarna dwongen ze ons met een bamboestok in onze knieholte te hurken en ze lieten ons heel lang in deze pijnlijke positie stilzitten. Ik kon nauwelijks opstaan en viel op een medegevangene. Toen ik opstond sloeg een Koreaanse bewaker me tegen de grond. Zo kreeg ik weer straf, omdat ik was gevallen. Hij mepte mij zo hard op mijn gezicht dat mijn neusbeen brak. Vandaag de dag staat mijn neus nog een beetje scheef daardoor.’

Het weerzien

‘Op een middag zaten we na ons corvee buiten op de grond toen we door de tweede ingangspoort van het 15e Bat een grote groep krijgsgevangenen het kamp zagen binnenlopen. Henk zei: ‘Daar gaat weer zo’n stelletje krijgsgevangenen!”, dus ik keek op. Ineens zag ik tussen die broodmagere gedaantes mijn vaders gezicht. Ik riep nog: “Verdraaid, dat is mijn vader toch niet?” Achteraan liep mijn broer Bob. Ze waren zo vermagerd, dat ik ze nauwelijks herkende. Zo ontmoette ik vier maanden voor de capitulatie mijn vader en broer weer. Mijn vader viel mij huilend in de armen. We waren heel blij met dit weerzien, maar vroegen ons direct af of mijn moeder en broer Henk nog in leven waren. De hereniging gaf ons weer enige hoop. 

In de tweede week van augustus 1945 begonnen de Japanse bewakers zich wat vreemd te gedragen. De Japanners lieten zich minder vaak zien in het kamp, dus er was duidelijk iets gaande. Op 14 augustus werden alle werkzaamheden buiten het kamp stopgezet.

We kregen in plaats van een kop gekookte rijst een dubbele portie, zonder uitleg. Onze Hollandse kampleider adviseerde ons rustig te blijven, maar de bevrijding was een feit. Dankzij de beide atoombommen had Japan moeten capituleren. Voor ons was dat een zegen. Opeens werden de Japanners onze beschermers in het kamp en werkten mee met de Britse bevrijders om ons te beschermen tegen de gewelddadige Indonesische vrijheidsstrijders. Wij moesten in het kamp blijven om niet te worden afgemaakt.’

Dolf Evers, Bandoeng 1947. Foto: Familiealbum Dolf Evers.

Bersiap

‘Via het Rode Kruis hoorden we dat mijn moeder in Ambarawa 8 verbleef, omdat zij daar in het vrouwenkamp gevangen had gezeten. Ook zij moesten nog in het kamp blijven voor hun bescherming tegen de vrijheidsstrijders. Eind oktober 1945 zijn vader en ik met de trein naar Midden-Java gereisd naar Ambarawa 8 om mijn moeder op te sporen. Vlak voor de plaats Purwokerto werd de trein aangehouden door een groep vrijheidsstrijders met kapmessen. Ze hadden een rode band om hun hoofd gebonden en kwamen de trein in om ons te vragen of wij wapens bij ons hadden

De sfeer was gespannen en de Indonesische vrouwen in de trein vroegen hen in hun taal om ons met rust te laten. Tot onze grote opluchting deden ze dat. In Ambarawa 8 vonden we mijn moeder en er waren tranen van vreugde. Mijn vader mocht haar natuurlijk als eerste omhelzen. Het weerzien met haar was van een intense vreugde. Jammer genoeg moest mijn vader al een week later voor zijn politiewerk met de trein naar Bandoeng. Op vaders aandringen bleef ik bij moeder achter om haar te beschermen.’

Dolf Evers met zijn moeder. Foto: Familiealbum Dolf Evers.

De aanslag op Ambarawa 8

‘Op 21 november 1945 werd het opvangkamp Ambarawa 8 aangevallen door vrijheidsstrijders. Zij vielen via de achterzijde het kamp binnen en dreven de vrouwen en kinderen bijeen op het centrale grasveld op de binnenplaats. Onder bedreiging van een pistool werd ik ook gedwongen een stenen trap op te gaan en me naar het hoger gelegen centrale grasveld te begeven. Er was veel geschreeuw van angst. In al die paniek herinnerde ik me wat ik in het 15e Bat had geleerd: “Blijf als er gevaar dreigt altijd in het midden van de groep, dan krijg je de minste klappen.” 

Plotseling gooiden ze handgranaten te midden van onze groep en begonnen te schieten.

Ik zag nog net mijn moeder verdwijnen achter een muur. Om mij heen zag ik mensen sneuvelen en dat een mevrouw vlak naast mij werd neergeschoten met haar vierjarige dochtertje in haar armen. Nadat de moeder dood neerviel, griste ik het dochtertje uit haar handen en rende met het huilende kind onder mijn arm achter een muur in de toiletten om ons te verschuilen voor de kogels. Helaas bleek het meisje toch door een kogel in haar buik te zijn getroffen en overleed in mijn armen. 

Een toevallig passerende Britse patrouille maakte een einde aan de aanslag. Mijn moeder en ik hadden het overleefd. Er waren negentien doden en zo’n veertig gewonden. Een dag later groeven we een kuil voor het massagraf. Vanuit de kerktoren werden wij nog regelmatig door Indonesische sluipschutters beschoten, waardoor we pas na drie dagen met Britse beveiliging de slachtoffers konden begraven. Het was een zeer groot drama om samen de vrouwen en kinderen te begraven. De dominee, die de begrafenis leidde, was zijn vierjarige dochtertje bij dit drama verloren. 

Een dag na de begrafenis werd het opvangkamp Ambarawa 8 ontruimd door de Britse Gurkha’s. Wij werden voor circa twee maanden naar het opvangkamp Lampersari gebracht. Gelukkig kon ik met mijn moeder met een Amerikaans schip mee naar Batavia. Van daaruit zijn mijn moeder en ik met een Dakota naar het vliegveld Andir gevlogen in Bandoeng, waar ik ordonnans werd bij de Nederlands-Indische Militaire Inlichtingendienst (NEFIS). Zo kon ik weer even bij mijn ouders wonen die daar inmiddels een woning hadden gekregen. Het was een wonder dat we het alle vijf hadden overleefd.

In augustus 1947 repatrieerde ons gehele gezin naar Nederland, waar ik toegelaten werd tot de verkorte hbs in Den Haag. Daarna wilde ik uit wraak graag vechten bij het KNIL in Nederlands-Indië, maar ik was te fanatiek volgens de opleiders en mocht niet mee met de politionele acties. Vervolgens ben ik bij het Korps Mariniers gegaan en werkte met veel toewijding bij de Binnenlandse Veiligheidsdienst tot mijn pensioen.’

Geen letter op papier

‘De aanslag op Ambarawa 8 tijdens de Bersiap komt nog vaak bij mij naar boven. De lafhartige aanval op dit vrouwenkamp is mij en mijn moeder helaas niet bespaard gebleven. Dankzij mijn eigen devies heb ik het overleefd: ‘Blijf bij gevaar altijd in het midden van een groep.’ Ik verbaas me er altijd over hoezeer je van jezelf en de beschaving vervreemd raakt in oorlogstijd.

Je denkt dan alleen aan eten en overleven. In Nederland in 1947 wilde mijn vader nooit over de oorlog praten. Met mijn moeder sprak ik er ook nauwelijks over, want over gevoelens praten deed je toen eigenlijk niet. 

Twintig jaar geleden vroeg mijn dochter Angela mij om er iets over te schrijven, maar over de aanslag op Ambarawa 8 kreeg ik lange tijd geen letter op papier. Inmiddels is me dat wel gelukt. Kort daarna ben ik met mijn vrouw Els naar Indonesië gegaan in een groepsreis met meerdere oorlogsgetroffenen.

Els en Dolf Evers. Foto: Ellen Lock.

Het deed me goed om samen met de groep de plekken weer te zien die mij zo herinneren aan mijn jeugd en aan de oorlog. Omdat veel groepsgenoten verhalen vertelden, kon ik er daarna ook iets makkelijker over praten. Nu ben ik heel blij dat ik het kan delen met u zodat dit verhaal over de aanslag op onschuldige vrouwen en kinderen niet verloren zal gaan.’

Interview: Ellen Lock, SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak maart 2019.