Mijn vader is gefusilleerd toen ik drie jaar oud was. Zijn portret hing boven de piano, hij was voor mij een onbekende.

Dineke Mulock Houwer over haar voorzitterschap per 1 januari 2015 voor de Raad voor Verzetsdeelnemers en Oorlogsgetroffenen.

Wat is haar betrokkenheid bij de oorlog en hoe was haar eerste kennismaking met de Pensioen- en Uitkeringsraad?

Een oude bekende

Dineke Mulock Houwer: ‘Voor mij is deze organisatie niet geheel nieuw. Tijdens mijn werk bij het ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur in de jaren 1989-1990 was Generaal buiten dienst Govert Huijser bezig met het oprichten van de Pensioen- en Uitkeringsraad. Daarover hebben we elkaar in die tijd vaak gesproken.

Dineke Mulock Houwer, 2015
Dineke Mulock Houwer, 2015. Foto: Ellen Lock

In de loop der jaren volg je zo’n instelling dan wel met meer dan gemiddelde belangstelling. Verder heb ik in mijn werk bij het ministerie van Sociale Zaken al veel te maken gehad met de sociale zekerheid en dus met uitkeringsregelingen en voorzieningen. Door mijn werkervaring ben ik gewend om leiding te geven aan vergelijkbare organisaties en projecten.’ 

Kunt u iets meer vertellen over uw werk bij Sociale Zaken en Justitie?

‘Na het gymnasium heb ik Sociologie in Utrecht gestudeerd. Daarna heb ik ruim veertig jaar bij de Rijksoverheid gewerkt op zeer verschillende terreinen. Bij het ministerie van Sociale Zaken heb ik intensief te maken gehad met het UWV en de Sociale Verzekeringsbank. Mijn laatste functie was bij het ministerie van Justitie onder andere op het terrein van het gevangeniswezen en de kinderbescherming. Sinds mijn pensioen heb ik steeds tijdelijke banen gehad en diverse toezichts- en bestuursfuncties.’

De minste herinneringen en toch het meest ermee bezig

Bent u persoonlijk betrokken bij verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen? 

‘Als kind van een oorlogsgetroffene werd mij op mijn dertigste gevraagd om in Amersfoort het herdenkingsmonument voor verzetsdeelnemers te onthullen. Iedereen vond het een goede toespraak, maar ik was een beetje verbaasd over mezelf dat ik daar voor het eerst in het openbaar over mijn vader kon spreken en over het belang van respect voor het verzet en de opdracht voor de nieuwe generaties. Zo begon mijn betrokkenheid bij herdenkingen. Helaas was mijn moeder toen al lang overleden. Mijn jongste broer en ik hadden de minste herinneringen aan de oorlog en waren op latere leeftijd juist meer dan onze oudere broer en zussen met de oorlog bezig. Mijn broer was bijvoorbeeld in Amersfoort zeer actief bij het renoveren van het herdenkingsmonument in de Verzetsliedenbuurt waar ook een straat is vernoemd naar mijn vader, Jacob Bunnik.’ 

Wat weet u van uw vaders verzetsverleden? 

‘Mijn vader deed kleine dingen in het verzet in en om Amersfoort. Hij gaf berichten door. In het kader van een represaille is mijn vader ‘s nachts opgepakt in plaats van mijn oom die een veel grotere rol speelde in het verzet in Amersfoort. Die oom was niet thuis en de Duitsers pakten eenvoudig de volgende op de lijst. 

Mijn vader deed weloverwogen het kleinere werk, want hij had een vrouw met de ziekte van Parkinson en zes kinderen. Bovendien had hij zijn eigen houthandel en timmerfabriek net geopend in 1940. Ik ben geboren in maart 1941 en op 3 oktober 1944 is mijn vader in de vroege ochtend na zijn arrestatie gefusilleerd. Ik was dus drie jaar oud. Het was voor ons gezin een drama, zo heb ik later begrepen. Mijn moeder had als zieke weduwe haar handen vol om zes kinderen, waarvan ik de jongste was, op te voeden. Gelukkig kwam haar moeder, onze oma, al snel bij ons in huis wonen. Ook kreeg ze hulp van sociaal werkers van de Stichting 1940-1945 en hoorde bij een clubje verzetsweduwen in Amersfoort. Als de weduwen bij ons op bezoek kwamen mochten wij koffie en koekjes ronddelen. De jongste vier kinderen gingen mee met de kinderkampen van het Vierde Prinsenkind. Deze vakantieweken waren speciaal bedoeld voor kinderen van oorlogsgetroffenen vlak na de oorlog. Zo heb ik bijvoorbeeld in Giethoorn leren zeilen. Wij vonden die vakantiekampen heel leuk, want dat was de enige vakantie die we hadden.’

Boven de piano hing vaders portret

Werd er door uw moeder nog over de oorlog gesproken? 

‘Mijn moeder kon niet over de oorlog praten. Ze begon al snel te huilen. Je laat het dan wel uit je hoofd om nog verder te vragen. Boven de piano hing een mooi geschilderd portret van mijn vader, die voor mij een onbekende man was. Ik herinner me nog wel iets vreselijks van school, dat een non mij berispte: “Als je vader nog geleefd had, dan was het niet gebeurd!” Ik had altijd maar weinig informatie over mijn vader en heb pas veel later meer gevraagd. Wij moesten als kinderen het behoorlijk zelf uitzoeken en waren daardoor snel zelfstandig. En toch hadden wij een goede sfeer en hebben we een degelijke opvoeding gehad.’

Hoe bent u meer te weten gekomen over de oorlog?

‘In twee fasen ben ik me meer gaan verdiepen in de oorlog. Toen ik mijn man ontmoette, niet lang vóór die opening van het verzetsmonument in Amersfoort, ben ik me meer gaan verdiepen in de oorlog. Bij mijn man thuis werd juist veel over de oorlog gesproken, want zijn vader had bijna drie jaar in de nazikampen gezeten. Mijn schoonvader had geheim agenten geholpen en onderduikers in huis gehad en is verraden. In de oorlog heeft hij achter-eenvolgens gevangen gezeten in het Oranjehotel in Scheveningen, Kamp Amersfoort, Kamp Haaren, concentratiekamp Natzweiler en is daarna naar concentratiekamp Dachau gedeporteerd, waar hij op 29 april 1945 werd bevrijd door de Amerikanen. Mijn schoonvader was mentaal en fysiek zeer sterk. Hij ging na zijn thuiskomst meteen weer aan het werk en richtte al zijn energie op de toekomst. Hij en zijn vrouw konden wél over de oorlog en zijn gevangenschap vertellen en iedereen was trots op zijn verhalen. Daardoor ben ik me ook meer in die oorlogsgeschiedenis gaan verdiepen. En dat deed ik nog meer toen ik zeven jaar geleden met pensioen ging en voorzitter werd van het Oranjehotel. Sindsdien lees ik veel over de oorlogsperiode.’

Op de celmuren staan hoopgevende en nog altijd actuele teksten als: ‘Gedachten zijn vrij’

Hoe is het om voorzitter van de Stichting Oranjehotel te zijn? 

‘Met passie en energie ben ik aan dat voorzitterschap begonnen. Het Oranjehotel in Scheveningen was in de Tweede Wereldoorlog een Duitse gevangenis waar Nederlanders die zich, op wat voor manier ook, tegen de Duitsers verzetten werden opgesloten voor verhoor en berechting. 

Voor de meeste gevangenen was het verblijf niet langdurig en werd dit gevolgd door verdere gevangenschap, vaak in Duitsland, of de doodstraf en dat was veelal executie op de Waalsdorpervlakte. Naar schatting hebben 25.000 mensen, afkomstig uit het gehele land, gevangen gezeten in het Oranjehotel. Vlak nadat ik het voorzitterschap had geaccepteerd, werden we geconfronteerd met een besluit van Justitie de cellenbarakken, ‘het Oranje-hotel’, te slopen. Mijn bestuur streed ervoor een deel van deze cellenbarakken en nog een paar onderdelen van deze plek met zijn bijzondere geschiedenis te behouden als monument. De kern ervan is de beroemde, authentieke ‘Doodencel 601’ waar op de muren inscripties staan van de gevangenen in de oorlogstijd. Op een van die muren staat gegrift: ‘Gedanken sind frei’, gedachten zijn vrij, een stille vorm van verzet en een troost in de verstikkende onderdrukking voor degenen die in de cel hebben gezeten. Via mijn werk voor het Oranjehotel en mijn betrokkenheid als voorzitter bij de herdenkingen ken ik ook aardig wat oorlogsgetroffenen en de bij hen betrokken organisaties.’

Mijn vaders naam, Jac. P. Bunnik, op het monument in Amersfoort, Foto: Willem Nabuurs.
Mijn vaders naam, Jac. P. Bunnik, op het monument in Amersfoort., Foto: Willem Nabuurs.

Ik heb alle vertrouwen in de medewerkers.

Zal uw beleid voor de wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen anders zijn dan dat van uw voorgangers Mw. Hans Dresden en Govert Huijser? 

‘Niet wezenlijk omdat het beleid bij de Pensioen- en Uitkeringsraad in goede handen is en goed wordt uitgevoerd door de medewerkers van de afdeling Verzetsdeelnemers en Oorlogsgetroffenen van de SVB. Het zijn kundige medewerkers waar de Pensioen- en Uitkeringsraad op kan vertrouwen. Deze Raad, bestaande uit negen raadsleden uit de verschillende doelgroepen, is er om de zeer ingewikkelde aanvragen nog eens extra onder de loep te nemen en in deze zaken te beslissen. Verder geeft de Raad advies aan de SVB, daar waar de beleidsregels geen uitkomst bieden. Dit alles zullen we blijven doen. Daarbij zal, zoals ik dat altijd heb gehad, dienstbaarheid hoog in mijn vaandel staan. Het gaat niet om mij of de leden maar om het doel: de cliënten van dienst te zijn.’

Hoe ziet u de samenwerking van de Raad met de verschillende doelgroepen?

‘Ik vind het samenwerken met de vertegenwoordigers van de verschillende doelgroepen belangrijk. Vanaf 1 januari 2015 behoren ook de mensen die gebruik maken van de Algemene Oorlogsongevallen Regeling (AOR) tot onze doelgroepen. Om ook hen goed van dienst te kunnen zijn is de expertise van de Raad versterkt door de toetreding van twee leden van de voormalige Commissie AOR André Pierik en Rein Frölings. De Raad staat open voor signalen van alle doelgroeporganisaties over de toepassing en uitvoering van de wetten en regelingen. In dat kader proberen de leden van de Raad ook zoveel mogelijk aanwezig te zijn bij herdenkingen om daar de cliënten persoonlijk te ontmoeten. Ik zal dat zelf uiteraard ook zoveel mogelijk doen. Daarnaast is de samenwerking met de cliëntenraad erg belangrijk. Ook daar kunnen de cliënten terecht met suggesties of opmerkingen over ons werk. Met al die signalen bekijken wij hoe we de dienstverlening verder kunnen verbeteren.’ 

Hoe ziet u de Raad in de toekomst functioneren?

‘Zolang er een beroep op de wetten en regelingen kan worden gedaan zal er in enige vorm een Pensioen- en Uitkeringsraad zijn. Maar het aantal cliënten en aanvragen zal krimpen en dus de organisatie ook. 

Maar ook in een kleinere Pensioen- en Uitkeringsraad zullen altijd vertegenwoordigers uit de doelgroepen van de eerste- of tweede generatie zitten. Ik ben ervan overtuigd dat de regelingen en voorzieningen ook in de komende tijd nog heel belangrijk zijn voor de cliënten en dat wij alles in het werk zullen stellen om ze zorgvuldig, rechtvaardig en snel te laten uitvoeren.’

Interview: Ellen Lock, Maart-editie 2015, SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak