Door het oog van de naald

Een interview met de 99-jarige Derk Willem Joekes over zijn verzet tegen de Japanse bezetter in Nederlands-Indië.

Hij werd verraden, opgepakt, verhoord, veroordeeld en opgesloten in verschillende gevangenissen op Java tot aan de Japanse capitulatie. Trots toont hij de Japanse theelepeltjes in een zilveren doosje op zijn salontafel, dat hij voor de oorlog vanuit Kobe naar zijn moeder had gestuurd.

Derk Willem Joekes in uniform, Foto: familiearchief Derk Willem Joekes.
Derk Willem Joekes in uniform, Foto: familiearchief Derk Willem Joekes.

Hij werkte daar toen voor een Handelsvereniging. ‘Dat is het enige wat nog over is uit die tijd!’ Daarnaast ligt zijn boek ‘Door het oog van de naald. Gesprekken tussen een strafgevangene en zijn Japanse bewakers van 1942-1945’. De recente Japanse vertaling ernaast vindt hij belangrijk omdat de jongere Japanse generatie dit ook moet weten.

Een bevlogen gezin

Mijn ouders waren van 1912 tot 1918 in Semarang, waar mijn vader secretaris was van de Nederlandsch-Indische Spoorwegmaatschappij. Het was daar tropisch warm en daarom woonden wij zoals de meeste Europeanen in de koele heuvels van Tjandi, op een half uur reizen van het aan de kust gelegen Semarang. Ik ben geboren als Derk Willem Joekes op 3 februari 1916 in Semarang. Ons gezin bestond uit vier kinderen: Dolf uit 1912, mijn zus Willy uit 1914, dan ik en het nakomertje Theo, de latere VVD-politicus, uit 1923. Mijn vader Dolf Joekes was gepromoveerd in Rechten en Staatswetenschappen in Leiden. Vanaf september 1925 was hij lid van de Tweede Kamerfractie van de Vrijzinnig Democratische Bond. Hij was fractievoorzitter van 1933-1937 en lid van het Dagelijks Bestuur van 1945-1946. Van 1948 tot 1952 was hij PvdA-minister van Sociale Zaken. Mijn moeder Elsje Joekes van Wulfften Palthe spande zich in voor de antroposofische beweging en de vrije school.

Kobe

Na mijn middelbare school in Den Haag vervulde ik mijn dienstplicht bij de bereden artillerie in Ede. Ik vond het heerlijk om paard te rijden en was een goede springruiter. Ons leger was toen heel ouderwets uitgerust. Met zes paarden trok je een kanon uit de tijd van Napoleon. Mijn doel was om geld te verdienen om het landgoed van mijn Twentse grootvader Palthe te kunnen overnemen. 

Na een half jaar stopte ik echter met een studie Economie in Rotterdam. De praktijk van de handel sprak me meer aan. Ik ging in 1937 werken op een kantoor van de Nederlandse Handelsvereniging Harmsen, Verwey en Dunlop in Kobe, Japan. Ik deed de inkoop van goedkope textiel voor de Chinese groothandel in Nederlands-Indië. Ik woonde samen met een aantal andere Nederlanders en kreeg privéles Japans van een oude Japanse docent. Als ik toen beter had opgelet dan had ik de Japanse oorlogsdreiging meer kunnen voorzien. 

In de Japanse kranten stonden toen artikelen over de Japanse veroveringen in China en over het verschrikkelijke bloedbad dat zij in 1937 hadden aangericht in Nanking. In Japanse kranten en op de radio werd gewaarschuwd voor buitenlandse spionnen. Officieel mochten Japanners geen contacten en vriendschappen aangaan met buitenlanders om te voorkomen dat zij zicht zouden krijgen op de uitbreidende Japanse krijgsmacht. 

Mijn docent Japans was zestig en had maling aan dit beleid. Zijn twee zonen moesten hun goede banen opgeven voor een militaire training in Mantsjoerije bij min vijfentwintig graden. Deze zonen klaagden hierover tegen hun vader, die mij hiervan op de hoogte stelde. Ik had te weinig oog voor de opbouw van de troepenmacht en genoot van het verblijf in die grote Japanse stad. In de winter van 1937-1938 leerde ik mijn vriendin Nancy Kinnes kennen op de kunstijsbaan van Kobe. Zij was een Schots-Engelse vrouw en sprak heel mooi Engels. Ze had lang haar en was heel sportief. In de nazomer van 1938 gingen we vaak samen zwemmen en zeilen. Medio 1939 verloofden we en we trouwden in Batavia. Op 9 oktober 1941 werd onze dochter Jacqueline Anne geboren en we zijn in Soerabaja gaan wonen.

Medewerkers van de Nederlandse Handelsvereniging in Kobe, 1937, Foto: familiearchief Derk Willem Joekes.
Medewerkers van de Nederlandse Handelsvereniging in Kobe, 1937, Foto: familiearchief Derk Willem Joekes.

Gemobiliseerd

De dag na het Japanse bombardement op Pearl Harbor op 7 december 1941 werd het KNIL gemobiliseerd. In mijn rang van 2e Luitenant bij de bereden artillerie werd ik opgeroepen bij mijn regiment in Malang met de opdracht een stelling in te richten voor 12 stuks 7 cm geschut aan de kust bij Toeban. Tot mijn verrassing hadden we geen paarden maar een soort pick-up trucks om de kanonnen te trekken en Harley Davidsons en Jeeps voor de officieren en manschappen. Toen de Japanners na luchtaanvallen en landingen in rap tempo per fiets Soerabaja binnen vielen, kregen wij het bevel om ons terug te trekken. Onze KNIL-eenheid vertrok naar Madoera, waar we ons ophielden in een provisorisch hospitaal in het bos. We waren nog maar nauwelijks een uur op het eiland of we kregen te horen dat Nederlands- Indië zich had overgegeven. We werden er door de Japanners krijgsgevangen gemaakt en geïnterneerd.

Als tolk in verzet

Op 20 maart 1942 werd ik uit het krijgsgevangenkamp in Madoera gehaald omdat de Japanners een tolk nodig hadden voor ondercommandant luitenant Toyoshima, die de Staats Spoorwegen op Oost-Java onder controle had. Ook mijn vrouw werd als tolk te werk gesteld op het kantoor van de Staats Spoorwegen in Soerabaja. We konden samen in ons eigen huis in Soerabaja blijven wonen. Door dit werk was ik op de hoogte van al het civiel en militair transport op Oost-Java. In mei 1942 werd ik door de tandarts Willem Wijting gevraagd om mij aan te sluiten bij zijn inlichtingendienst, omdat ik precies wist welke treinen er gingen en welke troepenverplaatsingen plaatvonden. Eens per week gaf ik informatie door aan Limahelu, een Ambonese jongeman die bij mij op bezoek kwam. Hij gaf mijn informatie door aan ‘Paatje’ van Hutten, een gepensioneerde KNIL-militair die een radiozender met een groot bereik had. We hoopten dat hij de informatie aan Australië kon doorgeven, zodat de geallieerden wisten waar de Japanse troepen zich ophielden op Java.

Bij de Kempetai in Soerabaja

In die onrustige dagen kocht ik een revolver bij een buurjongen. Natuurlijk wist ik dat dit streng verboden was, maar ik wilde een wapen hebben om mee te kunnen vechten. De buurjongen heeft me verraden. Hij werd als verdachte opgepakt omdat hij geen licht op zijn fiets had. Bij het verhoor sloeg hij door en vertelde dat hij mij een wapen had verkocht. In juli 1942 werd ik gearresteerd wegens verboden wapenbezit door de Japanse militaire politie, de Kempetai, waar ik tijdens een verblijf van precies honderd dagen tientallen malen ben verhoord door de verdomd vervelende heren Saito en Sato. Door Saito werd ik mishandeld en voortdurend met een ijzeren pook op mijn linkerknie geslagen: dat veroorzaakte een beschadiging die me bij het lopen veel pijn deed, waardoor ik scheef ging lopen. Jaren na de bevrijding heeft een chiropractor kans gezien mij hiervan af te helpen. Na die honderd dagen werd ik van de Kempetai in Soerabaja overgebracht naar de cellen van de Japanse krijgsraad in Batavia. Onder bewaking werden we een uur per dag gelucht. Je mocht niet met elkaar spreken, maar dat probeerden we natuurlijk toch met als gevolg een kaakstoot en een gebroken kroon.

Tjipinang gevangenis

Bij het hek van de Kempetai in Soerabaja heb ik nog even afscheid kunnen nemen van mijn vrouw en mijn eenjarig dochtertje, voordat wij op 31 oktober 1942 met acht lotgenoten en drie bewakers op de trein naar Batavia werden gezet. Na acht maanden cel bij de Japanse krijgsraad in Batavia werd ik tot vijf jaar gevangenisstraf veroordeeld wegens verboden wapenbezit en de poging tot het oprichten van ‘een organisatie’ met Wim Wijting. Bij de Kempetai en de krijgsraad had ik het voordeel dat ik Japans sprak en de gebruiken kende. Door automatisch bij iedere ontmoeting met een Japanner te buigen, had ik bij mijn verhoren altijd een beter begin dan de Nederlander die zijn verhoorder recht in de ogen keek en meteen klappen kreeg. Na de veroordeling zat ik van 1 juli 1943 tot maart 1944 in de Tjipinang gevangenis met 6.000 andere gevangenen. Direct na aankomst werd ons haar gemillimeterd. Iedere dag moest je rieten matjes vlechten. We hadden allemaal een tinnen bekertje om uit te drinken, je mee te wassen en je kont af te spoelen, maar hoe we aan water kwamen kan ik me niet meer herinneren.

Soekamiskin en Ambarawa gevangenis

Na Tjipinang kwam ik in de Soekamiskin gevangenis ten oosten van Bandoeng terecht. Ik had het geluk dat ik hier in de begrafenisploeg werd ingedeeld. Je raakte van dit werk helemaal afgestompt. Ik kreeg last van dysenterie, maar overleefde door een medicijn van een Chinees. Eind januari 1945 werd ik overgeplaatst naar Ambarawa. Elke dag moest je hier tien meter sisalstof weven, waar sisalzakken en balen van gemaakt werden. Ik was zo ziek en verzwakt dat ik mijn dagproductie vaak niet haalde. Een oersterke Australiër, Alan Groom, hielp mij telkens uit de brand. Hij gaf mij wat van zijn eten en maakte wat extra meters aan mijn weefgetouw. Dankzij zijn hulp heb ik het gered. Ook de vriendschap van Willem Wijting en Frans Berting hielden mij overeind, al dachten zij toen dat ik het niet zou redden.

Bevrijd en verlaten

Voor mij had de atoombom op Hirosjima geen week later moeten vallen, want dan had ik het niet overleefd. Nancy haalde mij uit de gevangenis van Ambarawa. Zij tolkte voor de Canadezen waardoor zij er voor kon zorgen dat ik er als eerste uit was. 

Zij had beter te eten gehad en zag er nog goed uit. Ik was een geraamte en woog nog maar 51 kilo. We namen een hotel, maar er was een enorme afstand tussen ons. Ik voelde mij verstoten en de volgende dag bracht Nancy mij naar mijn nicht in een ander kamp. Deze nicht heeft mij verzorgd en opgelapt. Nancy kon dat op dat moment niet opbrengen en had het ook te druk met tolken. Achteraf heel begrijpelijk, maar ik voelde me ontzettend verlaten. Ik was ziek, had geen baan en was verlaten door mijn vrouw en kind. Voor mij hoefde het allemaal niet meer. Ik durfde ook niet meer buiten het vrouwenkamp te komen omdat Indonesische jongeren vanaf half oktober 1945 alle Nederlanders bedreigden.

Terug naar Holland

Toen er een röntgenfoto van mijn longen werd gemaakt, bleek dat ik tbc had. Daarom mocht ik op de eerste boot, het passagiersschip Ms. Oranje, terug naar Nederland. Omdat Nancy en ik officieel nog getrouwd waren, mocht zij mee met onze kleine vierjarige Jacky. Aan boord spraken we oppervlakkig met elkaar, in elk geval niet over onze oorlogservaringen. Zij verliet ons schip in Southampton met onze dochter en ik ging alleen verder naar Amsterdam. Het weerzien met mijn beide ouders in Den Haag was heerlijk. Ik had het geluk dat ons gezin de oorlog had overleefd, maar schrok enorm van mijn vaders verzwakte uiterlijk. Hij was gevangen genomen door de Duitsers en was tot december 1942 geïnterneerd in kamp Sint-Michielsgestel. Daarna heeft hij in het Oranjehotel gevangen gezeten en in Buchenwald, waar ook mijn broer Dolf gevangen zat. Dagenlang lag ik thuis in mezelf te huilen. Ik kon er niet over praten omdat mijn vader en broer ook zo’n beroerde gevangenschap achter de rug hadden. Na een kuur in Davos hervond ik mijn balans en ging ik voor het ministerie van Economische Zaken werken. Een psychiater hielp me later te accepteren dat ik een achterstand had op mijn tijdgenoten die ik psychisch en fysiek niet meer kon inhalen. Ik trouwde met Peggy, een Engelse dame die met een nichtje van mij meekwam op ziekenbezoek. Met Peggy kreeg ik samen een dochter, Monique, die gelukkig dichtbij mij in de buurt woont en die ik vrijwel dagelijks zie. 

Na de oorlog heb ik Alan Groom nog gezien.

Hij is mijn reddende engel geweest. Wij logeerden bij elkaar en waren heel blij om elkaar weer te zien, al werd er nooit over de gevangenschap gesproken. Wel werd ik soms overvallen door flashbacks uit mijn gevangenschap. Zo zat ik een keer bij een chinees met mijn hele gezin en we kregen een rijsttafel. Bij het zien van zoveel eten schoot ik vol tranen, omdat ik opeens moest denken aan mijn honger in gevangenschap.

Derk Willem Joekes, 2015.
Derk Willem Joekes, 2015, Foto: Ellen Lock.

Je geniet meer van je vrijheid en van de gewoonste dingen na drieënhalf jaar Japanse gevangenschap.

Interview: Ellen Lock, SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak, September 2015