‘Wij wilden doorvechten tot het bittere einde’

De Ambonese verzetsstrijdster Coos Ayal vertelt over haar strijd tegen de Japanners in Nieuw-Guinea

Drie jaar lang vocht Coos Ayal met een Indisch-Molukse verzetsgroep in de jungle van Nieuw-Guinea. Toen de Japanners in april 1942 Nieuw-Guinea binnenvielen, woonde zij bij haar oom Nahuwae, een bestuursambtenaar. Ze vluchtte met haar oom en tante de jungle in. Zij sloten zich aan bij een groep guerrillastrijders van 62 man. Als enige vrouw overleefde zij met slechts 16 man deze barre strijd.

Naar Nieuw-Guinea

Mijn Ambonese ouders hadden zes kinderen en woonden op het eiland Nusalaut. Daar ben ik op 15 april 1926 geboren in een streng protestants gezin. Mijn oom Nahuwae was bestuursambtenaar in Nieuw-Guinea en bezocht ons met zijn vrouw toen ik zes jaar was. Dit kinderloze echtpaar wilde mij opvoeden en mijn moeder stemde toe. Het afscheid was moeilijk. Toen ik twaalf was kregen we een telegram dat mijn moeder was overleden na de bevalling van haar zevende kind.

Overleven in de jungle

Op 12 april 1942 ging een Japanse vloot voor anker in de baai van Manokwari. Na berichten over Japanse wreedheden sloegen mijn oom en tante met mij op de vlucht. Zij sloten zich aan bij guerrillastrijders onder leiding van KNIL-kapitein Willemsz Geeroms. Noodgedwongen maakten wij een overlevingstocht met deze strijders, dwars door de jungle en bergen naar de noordkust van Nieuw-Guinea, de zogenoemde Vogelkop. Met pistool en karabijn deden we overvallen op Japanse kampen, soms met hulp van de plaatselijke bewoners.

Korporaal Coos Ayal in het Vrouwenkorps-KNIL-uniform, Brisbane 1946. Foto: familiealbum Coos Ayal.
Korporaal Coos Ayal in het Vrouwenkorps-KNIL-uniform, Brisbane 1946, Foto: familiealbum Coos Ayal.

Ook ik kreeg als zestienjarige een karabijn en een mes. Aanvankelijk waren we met 62 personen en mijn tante en ik waren de enige vrouwen. Sergeant Kokkelink had meteen tegen de mannen gezegd: “Wie aan Coosje komt gaat eraan!” Ik voelde me dus altijd beschermd. Mijn taken waren dezelfde als die van de mannen; zoveel mogelijk Japanners uitschakelen, maar ik herstelde ook hun kleding en verzorgde hun wonden.

Dag en nacht liepen we door het moeras en het regenwoud. Onderweg hadden we heel wat vuurgevechten met Japanners. Ik kreeg een handgranaatsplinter boven mijn oog. Vele ontberingen, ziekten en ondraaglijke honger moesten we doorstaan. Als het regende vingen wij het water op met onze handen om het te drinken. We sliepen in aparte kampen opdat ze ons nooit tegelijk zouden treffen.

Een onverwachte aanval

De vijand werd steeds actiever en stuurde schepen met troepen aan land, die onze verzetsgroepen probeerden uit te schakelen. Sergeant Kokkelink verplaatste ons kamp van een heuvel met goed uitzicht naar de oevers van de Aroepi-rivier. Daar zocht hij dekking om de vijand op te wachten. Intussen waren er drie mannen van een andere verzetsgroep naar ons gevlucht, omdat zij op een grote Japanse patrouille waren gestuit en enige badende Japanners hadden neergeschoten. Natuurlijk zou er vergelding komen. Op 18 april 1944 was ik met mijn oom bij de rivier, die we als badkamer en latrine gebruikten. Wij hoorden de aanval en zagen - op enige afstand verstopt in het struikgewas - hoe de Japanners boven op de heuvel opdoken. Ik zag nog hoe kapitein Willemsz Geeroms naar zijn geweer wilde grijpen, maar hij was net te laat. De aanval kostte veel medestrijders het leven en de Japanners staken ons kamp in brand. Zij namen de kapitein en mijn tante mee. Zij zijn later onthoofd. Een Papoeaboodschapper bracht ons nog een brief van onze gevangengenomen kapitein. Hierin stelde hij voor om ons over te geven, maar niemand was hiertoe bereid. Vervolgens antwoordde sergeant Kokkelink hem per brief ‘dat wij zijn bevelen zouden negeren omdat hij zich in handen van de vijand bevond en dat wij ons tot de laatste man zouden blijven verzetten.’ 

Na de Japanse aanval stuurde mijn oom mij meteen naar het tweede kamp richting Aroepi om de overige mannen te waarschuwen. Na zes dagen en nachten rennen kwam ik onderweg een Papoea-jongen tegen. Hij vroeg mij: “Zeg me maar waar ze zijn, ik zal je er naar toe brengen!” Ik durfde hem niet te vertrouwen, want veel Papoea’s waren omgekocht. Ik antwoordde: “Ga jij maar naar het tweede kamp, en dan kom je terug naar mij!” Een van onze mannen kwam met hem mee, het was dus veilig. We braken snel het tweede kamp op en bleven rennen voor de Japanners. Van de oorspronkelijke 62 personen was onze verzetsgroep nog over met 17 personen. Sergeant Kokkelink besloot met ons in oostelijke richting van de Vogelkop te trekken, in de hoop in een veiliger gebied te belanden. Na een week trekken vonden we een geschikte schuilplaats aan de Adjai-rivier.

Giftige vruchten

Soms bivakkeerden de Jappen en wij aan weerszijden van een rivier. We schoten niet meer op elkaar omdat we geen kogels konden missen. Op plantages van Papoea’s haalden we jonge bananen en groenten. Op een dag vond ik in de jungle grote abrikoosachtige vruchten. Ik nam ze voor de mannen mee, maar ik at ze zelf niet. De volgende ochtend bleek dat ze giftig waren. Iedereen had dikke lippen, een opgezet gezicht en buikpijn. Gelukkig gaf niemand mij de schuld.
Er was altijd angst om ontdekt en beschoten te worden door de Japanners, dus wij sliepen nooit rustig. Onder mijn hoofdkussen van bladeren legde ik altijd mijn bijbeltje. Iedere ochtend en avond bad ik om bescherming en kracht. Op een gegeven moment had ik alle tropische ziekten zoals dysenterie, malaria en beriberi tegelijk. Ik was aan het einde van mijn krachten. Mijn oom bleef bij me achter, maar Kokkelink zei hem: ”Als ze niet meekan, moet je haar doodschieten, want ze mag niet in handen van de Japanners vallen!” Mijn oom kon dit niet over zijn hart verkrijgen. Hij veegde wat water over mijn gezicht, begon te bidden en sprak me moed in: “Coosje, je moet nu verder!” En het wonderlijke was, dat ik weer kracht kreeg. We voegden ons snel bij de anderen. Als onze tocht nog twee weken langer had geduurd, dan had ik het niet overleefd. Ik had hongeroedeem en last van bloedzuigers en tropenzweren aan mijn voeten.

Trouw aan Holland

Dankzij drie trouwe stamhoofden hebben we het overleefd, hun manschappen beschermden ons en steunden ons in de strijd tot het laatst toe. We droegen de Nederlandse vlag opgerold in een bamboestok bij ons. Op een dag kregen we een bericht in een bamboekoker van een Papoea-boodschapper. Onze sergeant Kokkelink durfde nauwelijks de koker te openen uit reële angst voor een bom. Er zat een brief in van ene luitenant ter zee, Abdul Rasak, die schreef: ‘Geachte strijders, Wij zijn een onderdeel van de Nederlands-Indische strijdkrachten en zijn op de Kebar-vlakte geland. Wij hebben de opdracht gekregen om u op te sporen en contact met u te maken. Met deze brief wordt ook een vlag meegestuurd als bewijs van onze aanwezigheid.’ Maar niemand kende hem en het kon een valstrik zijn. Alles bleek waar te zijn. Op 4 oktober 1944 werden we door Abdul Rasak bevrijd. Hij zette onze redding op touw en regelde met de drie trouwe stammen de aanleg van een landingsbaan aan de kust, waarop het vliegtuig kon landen om ons weg te halen.

Heldin

In Rasaks legerkamp werden we als vorsten ontvangen. We schrokten de rijst als hongerige varkens op. Zodra de landingsbaan gereed was, werden we naar Hollandia, de hoofdstad van Nieuw-Guinea, gevlogen. In het ziekenhuis schrok ik in de spiegel van mijn opgezwollen en gehavende gezicht. Als ik in de interneringskampen in Hollandia Japanners zag lopen, kreeg ik koude rillingen van angst. Na twee maanden van goede zorg werd ik met een vliegtuig naar Brisbane gebracht. In mijn oude plunje stapte ik naar beneden en werd ontvangen als een heldin. Er stond een korps damesofficieren in het gelid voor me en ook generaal Van Mook wachtte me op, samen met mijn oom en onze mannen. Ik kreeg een opleiding als verpleegster, een infanteristenopleiding en werd bevorderd tot korporaal Ayal. Na de oorlog stuurden wij de vlag met onze namen erop aan Koningin Wilhelmina. Op een dag moest ik bij generaal Van Mook komen in de kantine. Uit naam van Koningin Wilhelmina kreeg ik het Kruis van Verdiensten en in een handgeschreven brief bedankte ze ons voor de vlag en voor onze trouw aan Holland. Die brief hangt bij mij ingelijst aan de muur. In de legerkantine in Brisbane ontmoette ik mijn man. Hij was afkomstig van Curaçao en op onze basis gelegerd. We trouwden met een groot feest. Mijn man kreeg een baan bij Shell op Curaçao en we kregen negen kinderen. Toen ik dertig jaar later op Ambon terugkeerde, zag ik mijn vader en ons gezin pas weer. Mijn vader had in de oorlog te horen gekregen dat ik vermoord was door de Japanners. Hij bleef echter altijd rotsvast geloven en volhouden - naar iedereen die er naar vroeg - dat ik nog leefde.

Coos Ayal, Ridderkerk 2012
Coos Ayal, Ridderkerk 2012, Foto: Ellen Lock.

Herdenken

In 1981 kreeg ik van Prins Bernhard het Verzetsherdenkingskruis opgespeld. Toen ik terug wilde naar Nederland met mijn gezin vanuit Curaçao schreef ik hem om hulp en werd alles voor mij geregeld. Ik kreeg een gemeubileerd huis in Ridderkerk en een verzetspensioen. Bij de herdenking op 15 augustus ben ik altijd in Den Haag, vaak moest ik er ook een krans leggen. Twee maal per jaar kwam onze verzetsgroep Kokkelink bijeen. Piet de Kock (93) en ik zijn alleen nog over. Regelmatig word ik schreeuwend wakker. In mijn nachtmerries ren ik voor mijn leven, op de vlucht voor schietende Japanners. Met de mannen heb ik hier nooit over gesproken. Dat gevecht moet je toch alleen leveren.'

Interview: Ellen Lock, SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak september 201