“Mijn aandacht is gericht op het behoud van de verworven rechten van oorlogsgetroffenen”

Staatssecretaris van VWS Clémence Ross-Van Dorp over het beleid voor oorlogsgetroffenen

Als staatssecretaris van Volksgezondheid Welzijn en Sport in het kabinet Balkenende II is Clémence Ross-Van Dorp verantwoordelijk voor de portefeuille van oorlogsgetroffenen van de Tweede Wereldoorlog. Onder het kabinet Kok viel de portefeuille onder de Minister van Volksgezondheid, Els Borst-Eilers, die de oorlog bewust heeft meegemaakt. Clémence Ross-Van Dorp (46) wil het beleid van haar voorgangster voortzetten. Hier volgt een nadere kennismaking met Clémence Ross-Van Dorp.

Clémence Ross-van Dorp.
 
Clémence Ross-van Dorp. Foto: Ellen Lock.

Kunt u iets vertellen over uw achtergrond en op welke wijze uw familie met de Tweede Wereldoorlog te maken kreeg? Heeft u in uw directe omgeving oorlogsgetroffenen van de Tweede Wereldoorlog gekend?

“Ik ben geboren op 27 augustus 1957 in Delft. Ik kom uit een Rooms-Katholiek gezin dat altijd actief betrokken was bij kerk en samenleving. Mijn moeder werkte in de verpleging in het Bethlehem Ziekenhuis te Den Haag en ze heeft mij vaak over de oorlog verteld. Op 3 maart 1945 werd het Bezuidenhout door Engelse jachtbommenwerpers gebombardeerd om de Duitse V2-lanceerplaats in het Haagse Bos te treffen, maar in  plaats daarvan werden woonwijken in het Bezuidenhout getroffen. Ook het Bethlehem Ziekenhuis moest worden ontruimd omdat er een bom naast viel. Verpleegsters renden met zojuist geboren zuigelingen de straat op, woonwijken stonden lange tijd in brand en veel mensen lagen bedolven onder het puin. Alle ziekenhuizen in Den Haag waren overvol. Ze vertelde over de honger die heerste en hoe blij ze was met het halve brood dat ze nog uit de puinhopen heeft gehaald. Mijn vader heeft nooit veel over de oorlog verteld. Ik ken geen zwaar getroffen oorlogsslachtoffers in mijn directe omgeving. Op dit moment woon ik in Breedenbroek (Gelderland), in het Nederlands-Duits grensgebied van de Achterhoek, waar nog veel ‘sporen’ van de Tweede Wereldoorlog zijn te vinden. Ze zijn zichtbaar in de vele oorlogsmonumenten. Ik houd me nu intensief bezig met dit onderwerp en in mijn ontmoetingen met oorlogsgetroffenen van de Tweede Wereldoorlog merk ik dat de oorlogsgeneratie vaak nu pas, op hoge leeftijd en na het pensioen aan de verwerking van het oorlogsverleden begint.”

Wat deed u voordat u staatssecretaris werd van VWS? En door wie en waarom werd u gevraagd staatssecretaris te worden?

“Na mijn middelbare school volgde ik een opleiding voor doktersassistente, daarna deed ik de lerarenopleiding Nederlands en Engels. Vervolgens studeerde ik in 1989 af in de Sinologie aan de Rijksuniversiteit Leiden. 

Vanaf 1990 zette ik mij actief in voor het CDA, zat in diverse besturen en werkgroepen en werd uiteindelijk voorzitter van het CDA in Gelderland. 

Mijn eerste baan was docent Engels. Daarna werd ik beleidsmedewerker bij CDA-Europarlementariër Oostlander. Van 1998 tot 2002 was ik voor het CDA lid van de Tweede Kamer. Toen hield ik mij bezig met primair onderwijs, medisch-ethische zaken en familie- en naamrecht. Ik ben gevraagd voor het ambt van staatssecretaris door de formateur en CDA-partijleider Balkenende. Ik ben nu belast met ouderen, oorlogsgetroffenen, sport, gehandicapten, jeugd, sociaal beleid, medische ethiek en biotechnologie.”

Wat houden voor u de begrippen ‘ereschuld’ en ‘bijzondere solidariteit’ in?

“Net als mijn ambtsvoorgangers voel ik mij gebonden aan deze twee begrippen. Zij liggen historisch ten grondslag aan de wetten voor oorlogsgetroffenen en vormen dus een constante factor in het beleid van de overheid. Het begrip ‘ereschuld’ verwijst vooral naar de mensen, die hun leven en gezondheid hebben geriskeerd om de geallieerden te helpen: de verzetsmensen en de zeelieden. De ‘bijzondere solidariteit’ betreft vooral degenen, die tijdens de Tweede Wereldoorlog het zwaarst getroffen zijn: de slachtoffers van vervolging en van calamiteiten.”

De staatssecretaris bezoekt het archief van de Pensioen- en Uitkeringsraad. Zij wordt geïnformeerd door Joop Batens, hoofd van het archief.
De staatssecretaris bezoekt het archief van de Pensioen- en Uitkeringsraad. Zij wordt geïnformeerd door Joop Batens, hoofd van het archief. Foto: Ellen Lock.

Wat is uw visie op het materiële en immateriële beleid voor oorlogsgetroffenen tijdens deze regeerperiode en welke verbeteringen wilt u aanbrengen?

“Wij zijn inmiddels de fase ingegaan van consolidatie. Dat betekent dat mijn aandacht vooral gericht zal zijn op het behoud van de voorzieningen en van de verworven rechten van en voor oorlogsgetroffenen. Inhoudelijke verbeteringen zijn in beginsel niet meer aan de orde. Maar ik zal natuurlijk wel voeling houden met de ontwikkelingen bij de oorlogsgetroffenen. De direct getroffenen worden immers steeds ouder. Waar dat tot knelpunten leidt in de bureaucratie rond de wetten moeten we proberen de uitvoering verder te vereenvoudigen. In die zin wil ik de lijn  doortrekken die in een vorige regeerperiode reeds door Els Borst is ingezet. De Pensioenen Uitkeringsraad heeft hierin ook een eigen verantwoordelijkheid. Om de continuïteit en de kwaliteit van de voorzieningen te kunnen garanderen moeten de uitvoerende organisaties vitaal blijven. Dat is voor mij een belangrijk aandachtspunt. Het werk loopt terug en de geldstromen worden geleidelijk kleiner. Het apparaat van de uitvoerende organisaties moet daaraan worden aangepast. Wanneer een kritisch punt wordt bereikt moet men samenwerking zoeken met andere organisaties. Beter nog is om daar tijdig op te anticiperen.”

Kunt u de oorlogsgetroffenen garanderen dat er de komende jaren niets zal veranderen in de wetten voor oorlogsgetroffenen en dat er niet bezuinigd zal worden op hun uitkeringen en pensioenen?

“Een aantal instellingen voor oorlogsgetroffenen moet een kleine bijdrage leveren aan de bezuinigingen waartoe dit kabinet heeft besloten. Het gaat daarbij echter om bescheiden bedragen. Op de pensioenen en uitkeringen voor oorlogsgetroffenen wordt niet gekort, al is het natuurlijk zo dat door de koppeling aan de ambtenarenpensioenen de uitkeringen even een pas op de plaats moeten maken. Maar ik zal niet principieel ingrijpen in de verworven rechten van de mensen die erkend zijn op grond van de wetten voor oorlogsgetroffenen.”

De voorzitter, Govert Huyser (rechts), en de directeur, Ton van Gils (links), ontvangen de staatssecretaris bij haar bezoek aan de Pensioen- en Uitkeringsraad.
De voorzitter, Govert Huyser (rechts), en de directeur, Ton van Gils (links), ontvangen de staatssecretaris bij haar bezoek aan de Pensioen- en Uitkeringsraad. Foto: Ellen Lock.

Heeft u al veel bezoeken gebracht aan instellingen uit de sector voor oorlogsgetroffenen? Op welke wijze kunnen de begeleidende instellingen de hulp aan oorlogsgetroffenen blijven uitvoeren, ondanks de bezuinigingen?

“Het eerste kabinet Balkenende was al snel demissionair en het was onzeker of ik in een volgend kabinet verantwoordelijk zou blijven voor dit werkterrein. Ik heb daarom het aantal werkbezoeken en kennismakingsgesprekken in die periode wat beperkt gehouden. Inmiddels ben ik die achterstand aan het inhalen. Sinds mijn herbenoeming in het tweede kabinet Balkenende op 27 mei 2003 heb ik verschillende besturen van instellingen ontvangen en werkbezoeken afgelegd. Ook de voorzitter en de directeur van de Pensioen- en Uitkeringsraad zijn op 12 augustus 2003 bij mij op bezoek geweest voor een eerste kennismaking. Zij hebben mij op de hoogte gebracht van de stand van zaken rond de materiële zorg voor oorlogsgetroffenen. De hoofdlijn van het materieel beleid is ervoor zorgen dat, ondanks de geleidelijke terugloop van het aantal nieuwe aanvragen en het bestand erkende oorlogsgetroffenen, de Pensioen- en Uitkeringsraad en de begeleidende instellingen in staat blijven oorlogsgetroffenen te bedienen op basis van ereschuld en bijzondere solidariteit. In november heb ik een bezoek gebracht aan de Pensioen- en Uitkeringsraad om mij verder te verdiepen in de materiële zorg voor oorlogsgetroffenen en om te zien welke problemen om de hoek komen kijken bij deze bijzondere doelgroep op hoge leeftijd.”

Denkt u dat er voldoende garanties zijn voor het voortbestaan van een maatschappelijk en politiek draagvlak voor de zorg voor oorlogsgetroffenen in de 21ste eeuw?

“Op dit moment heb ik geen aanwijzingen dat het maatschappelijk en politieke draagvlak afneemt. Blijkbaar staat wat er tijdens de Tweede Wereldoorlog gebeurd is nog sterk in het bewustzijn van de samenleving gegrift. Om het draagvlak in stand te houden heeft de Nederlandse overheid de taak nationale manifestaties op het gebied van herdenken en vieren te bevorderen en de herinneringscentra en de activiteiten in stand te houden in het kader van de jeugdvoorlichting over de Tweede Wereldoorlog in relatie tot het heden. Om deze doelstelling te bereiken worden subsidies verstrekt aan het Nationaal Comité 4 en 5 mei, voor projecten Jeugdvoorlichting WOII-heden en een viertal Nationale herinneringscentra (Nationaal Monument Kamp Westerbork, Nationaal Monument Kamp Vught, nationaal Monument Kamp Amersfoort en het Indisch Herinneringscentrum in Den Haag).

Het onderwerp Tweede Wereldoorlog geniet onverminderd belangstelling. Er verschijnen nog steeds nieuwe boeken over die periode. Verder besteden radio en televisie met grote regelmaat aandacht aan de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog voor de samenleving en voor individuele slachtoffers. Dat alles draagt bij tot een beter begrip voor de slachtoffers en daardoor ook voor het hulpverleningsbeleid.”

Kunt u de oorlogsgetroffenen nog een hart onder de riem steken?

“Wij leven gelukkig in een Europa waar alweer enige tijd vrede heerst, een vrede waar de oorlogsgeneratie hard voor heeft gevochten. We zien dat het mogelijk is dat landen, die eeuwenlang onderling oorlog hebben gevoerd, vrijwel allemaal integreren in de Europese Gemeenschap. Een Europese Gemeenschap waarin vrijheid en democratie hoog in het vaandel staan, vormt mijns inziens de best denkbare garantie op een vreedzame en welvarende toekomst. Ook in de Europese Gemeenschap zullen de lessen uit het verleden nooit vergeten mogen worden en een leidraad moeten blijven vormen voor de waarborging van onze vrijheid en democratie. Oorlogsgetroffenen verdienen ons aller respect en weten dat hun strijd en hun lijden niet tevergeefs zijn geweest, omdat jongere generaties de lessen van hun geschiedenis zullen blijven doorgeven om de vrede te leren waarderen en te waarborgen. Onze rechtsorde verdraagt geen uitingen van discriminatie of verregaande intolerantie. Van overheidswege zal er aandacht blijven voor herdenken en vieren. Ik hoop dat deze wetenschap geruststelling biedt aan de getroffenen van de Tweede Wereldoorlog, want zeker voor hen is het belangrijk dat de geschiedenis zich niet zal herhalen.”

Interview: Ellen Lock, SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak December 2003