‘Onder mijn zusters vleugels voelde ik mij altijd veilig’

Historicus en jurist Cees Fasseur groeide op in het jappenkamp Lampersari-Sompok in Semarang op Java.

Cees Fasseur kreeg als enige historicus en jurist toegang van Koningin Beatrix tot het persoonlijk archief van Wilhelmina. Zijn Wilhelminabiografie maakte hem in 2001 bekend bij het grote lezerspubliek. In Aanspraak vertelt hij over zijn jeugd in Nederlands-Indië. Fasseur is net vier jaar als hij met zijn moeder en zusje het jappenkamp Lampersari-Sompok ingaat en bijna zeven bij de bevrijding. Bij voorbaat plaatst hij al een kanttekening bij dit interview: ‘Jeugdherinneringen zijn vaak onbetrouwbaar, want vaak weet je niet zeker of je het van horen zeggen hebt of dat je het echt zelf hebt ervaren.’

Cees Fasseur, Den Haag 2011
Cees Fasseur, Den Haag 2011,  Foto: Ellen Lock.

Overdag tennis, ’s avonds bridge

‘Aan de oostkust van Borneo in Balikpapan ben ik geboren op 11 december 1938. Mijn bijna vijf jaar oudere zus Willy was altijd heel zorgzaam voor mij. Mijn vader werkte voor de Bataafsche Petroleum-Maatschappij (BPM) en werd na verloop van tijd directeur van de drumfabriek. Zijn fabriek maakte circa 1.000 olievaten per dag voor de grote olieraffinaderij. Mijn ouders leidden voor de Tweede Wereldoorlog een heel comfortabel leven. We hadden een huis met uitzicht op zee en drie man personeel. Mijn moeder ging overdag tennissen en ’s avonds gingen mijn ouders bridgen of naar een film kijken op de BPM-soos. Onze baboe paste op mij en mijn zusje.

Oorlog om de olie

Eind juli 1941 besloten Amerika, Engeland en Nederlands-Indië samen Japan een olie-embargo op te leggen om zo een einde te maken aan de Chinees-Japanse oorlog. Na zes maanden was de Japanse olievoorraad op en dan zou Japan de oorlog tegen China moeten staken. Op 7 december 1941 kwam de verrassingsaanval van Japan op Pearl Harbor. Twee dagen later werden mijn moeder, zus en ik al geëvacueerd met een vliegtuig van ‘De Maatschappij’ naar Java. Hier herinner ik mij helemaal niets van. Mijn vader bleef achter in Balikpapan als landstormer in een speciaal commando dat alle aardolieputten, boortorens en fabrieken moest vernielen vóór de komst van de Japanners. Nederlands-Indië volgde de tactiek van de verschroeide aarde. Zijn eigen fabriek blies hij op met dynamiet. Daarna vluchtte mijn vader met zijn medesaboteurs het bos in. Het was maar goed dat hij gevlucht was, want Japan bedreigde elke vorm van sabotage met de dood. Het KNIL-garnizoen en een aantal onschuldige burgers dat achterbleef, is zonder vorm van proces geëxecuteerd.

Schuilplaats in de Lawu-bergen

Een watervliegtuig van de BPM bracht mijn vader van Borneo naar Java. Daar hielp hij de olieraffinaderij bij Tjepoe in Midden-Java op te blazen. Zijn oorlogsloopbaan eindigde bij de KNIL-artilleriewerkinrichtingen in Bandoeng. Na de capitulatie in maart had hij weinig zin om zich in uniform bij de Japanners te melden. Hij reisde in burger naar mijn moeder, mij en mijn zusje in het BPM-vakantieoord Sarangan in de Lawu-bergen op Midden-Java. De BPM zorgde goed voor zijn personeel. Pas op 29 april 1942, de verjaardag van Hirohito, werd de saboteurs gratie verleend. Wij zaten voorlopig met zijn vieren veilig in Sarangan aan een meer met een waterval in de bergen rond de vulkaan Lawu. Mijn vroegste jeugdherinnering is dat we bij de waterval waren. In het kolkende water stortte opeens een kantjil, een dwerghertje, in de diepte. Zo’n heftig beeld blijft langer hangen in je herinnering.

Het reisbureau Nippon

Tot mijn vierde verjaardag in december 1942 bleven we in Sarangan. Toen waren ook wij aan de beurt om te worden geïnterneerd. Mijn vader werd uiteindelijk naar het mannenkamp Tji Koeda Pateuh, ten noordoosten van Bandoeng, gebracht. Mijn moeder kreeg een oproep om zich te melden bij de bus met haar kinderen en slechts één koffer per persoon. “Het reisbureau Nippon” zou er voor zorgen dat de rest van onze spullen zou worden nagestuurd. Ik herinner me de reis in de bus naar Madioen en de lange warme treinreis daarna naar Semarang met al die Europese vrouwen en kinderen opeengepakt. In het zuidoosten van de benedenstad van Semarang wees de bezetter twee kampongs, Lampersari en Sompok, aan als wijkkamp voor Europese vrouwen en kinderen. Dit kamp werd omheind met gedek, een hek van prikkeldraad en bamboe vlechtwerk. De oorspronkelijke Indische bewoners werden door de Japanners uit hun huizen weggestuurd. Als een van de eerste gezinnen in dit kamp kwamen wij aanvankelijk in een stenen huis terecht aan de hoofdstraat, de Hoofd-Mangga. Na een half jaar werden we overgeplaatst naar een kleine driekamerwoning van hout en gedek met een schuurtje aan de 9e Manggaweg. Dit huis moesten we delen met zeven anderen. Gelukkig was er wel stromend water, zij het niet altijd. Kamp Lampersari-Sompok was een wijk van circa 1 bij 1 kilometer, maar al gauw waren we hier opeengepakt met 3.000 vrouwen en 5.000 kinderen. Speelkameraadjes te over. Elke dag was er een drukkende hitte en in die laagvlakte waren veel muggen. Achter het gedek, pal naast het kamp, stond de Gouvernements Ambachtsschool waar we kinderen Maleise schoolliederen hoorden zingen. Twee weken later kwam reisbureau Nippon inderdaad onze spullen nabrengen. Ook de Chinese kamferkist waar ik sindsdien op sliep.

Mijn zusje Willy en ik met vader in de tuin, Balikpapan, 1940. Foto: familiealbum Cees Fasseur.
Mijn zusje Willy en ik met vader in de tuin, Balikpapan, 1940, Foto: familiealbum Cees Fasseur.

Beschermd

In de aanwezigheid van mijn lieve moeder en zorgzame zusje voelde ik mij altijd beschermd. We zagen mijn moeder natuurlijk meer dan thuis. Voor al die volwassen vrouwen gold dat ze het luxe leventje met al die bedienden in één klap kwijt waren en nu zelf moesten gaan werken. Alle vrouwen en kinderen moesten voor het eigen huis ’s ochtends en ’s avonds op appèl staan om te controleren of er niemand gevlucht was. Iedereen had een Japans cijfer gekregen dat je hardop moest roepen. Als ik - zeker in het begin - niet altijd mijn Japanse cijfer kon onthouden, riep mijn zusje mijn cijfer. De vrouwen moesten volgens een rooster patjollen (de grond omspitten), sprieten trekken, en ’s nachts wachtlopen. Vrouwen en oudere meisjes werden ongenadig hard geslagen door de Japanse en Koreaanse kampbewakers. Ik kan me niet herinneren ooit te zijn geslagen. Ze waren tegen kinderen niet onaardig. Mijn moeder leerde mij vanuit haar geheugen protestants-christelijke gezangen die ik dan zong met mijn jongenssopraan. Vaak kreeg ik na de eerste zin al bijval: “Als g’in nood gezeten…”

Onze baboe past op mij, Balikpapan, 1940. Foto: familiealbum Cees Fasseur.
Onze baboe past op mij, Balikpapan, 1940, Foto: familiealbum Cees Fasseur.

Honger

Mijn moeder had veel last van het klimaat. Bij gebrek aan airco zaagde ze daarom zelf een raam. In het begin van 1945 kreeg zij hongeroedeem en lag toen veel op bed. Er waren dan andere vrouwen die zich het lot van mij en mijn zus aantrokken. Omgekeerd gebeurde dat ook. Als kind leer je snel dat je niet om eten moet zeuren als dat er niet is. We kregen vaak vreselijk vieze sagopap, witte balletjes van een soort behangstijfsel. Ik leerde al vroeg klokkijken om uit te rekenen wanneer we te eten kregen. En je leert aardig doen om te overleven. Toen mijn sterk vermagerde zusje in het laatste oorlogsjaar in het kampziekenhuis bijvoeding kreeg, pikte ik figuurlijk een paar sagoballetjes of rijstkorrels van haar hand mee.

Ook krijg je vanzelf een soort verlatingsangst. Je bent bang dat je moeder of je zusje ook opeens weg zal zijn. Je zag moeders en kinderen wegkwijnen van de honger of besmettelijke ziekten, zonder dat ik als kind echt besefte dat ze zouden sterven. Of je hoorde moeders huilen als ze gescheiden werden van hun zoon als die op tienjarige leeftijd naar een mannenkamp moest gaan. Ondanks al die duizenden mensen om je heen, kon ik mij er toch heel alleen en verlaten voelen.

De bevrijding

De mooiste dag in het kamp was de bevrijding op 15 augustus 1945. Hollandse vlaggen lagen op straat uitgerold als herkenningsteken voor de voedseldroppingen van de laagvliegende Amerikaanse vliegtuigen. We kregen blikjes cornedbeef waar ik dol op was, en blikjes met dikke vette gecondenseerde melk die we met suiker tot een lekkernij maakten. Eind september 1945 verschenen de Brits-Indische Gurkha’s, taaie en tanige mannen, in het kamp en ook Sikhs met hun tulbanden en lange zwarte baarden. Zij lieten de Japanners de latrines schoonmaken en droegen hun taken op die de vrouwen vroeger moesten uitvoeren. We kregen een medisch onderzoek; ik woog bij het verlaten van het kamp niet meer dan 19 kilo.

Het weerzien

Toen de oorlog was afgelopen, is mijn vader weggelopen uit zijn kamp in Bandoeng en dwars over Java met de trein naar Semarang gereisd om ons te zoeken. Hij besefte niet hoeveel gevaar hij liep in verband met mogelijke gewelddadigheden van Indonesische vrijheidsstrijders. Door het raam zag ik een magere Europeaan aan komen lopen. Mijn moeder slaakte een ijzingwekkende kreet en sprong uit het lage raam: “Sjaak, je bent terug!” Ze viel de mij geheel onbekende man in de armen. Dat moest dus wel mijn vader zijn, maar ik had er een heel andere voorstelling van; “Onze Vader die in de hemelen zijt...” Mijn moeder had haar man ruim drie jaar niet gezien en heel af en toe in een telegram via het Rode Kruis gelezen dat hij nog leefde.

Mijn vader nam ons - tegen alle kampregels in - mee om het weerzien te vieren. Hij regelde twee betjaks en we zouden nog diezelfde avond in de stad bij de befaamde Chinees ‘Toko Oen’ gaan eten. Er hing een angstaanjagende stilte, nergens brandde licht en alle straten waren verlaten. Omdat het er zo onheilspellend was, maakten we snel rechtsomkeert. De volgende dag was het kamp omsingeld door ‘peloppers’, de Indonesische vrijheidsstrijders, die agressief met stokken naar ons totoks (blanken) zwaaiden. Zij schreeuwden: “Merdeka! (vrijheid)”. De Japanse kampbewaking liet ons vanaf dat moment het kamp niet meer uit. Onze onderdrukkers waren ineens onze beschermers geworden. Wij bleven in het kamp tot januari 1946. Daarna woonden we een paar maanden in een mooi huis in de wijk Nieuw Tjandi, in de bovenstad van Semarang, door prikkeldraad afgescheiden van de benedenstad die nog steeds in handen was van de Indonesische vrijheidsstrijders.

Weesgegroet

Vanaf mijn zesde jaar kreeg ik les van de zusters Franciscanessen in het kamp. Zij leerden mij versjes en bidden. In juni 1946 ging ik op mijn zevende voor het eerst naar Nederland aan boord van de Kota Baroe. Voor mij was het geen kille ontvangst, want de kade stond vol met familie. Iedereen wilde de familie en het neefje uit Indië zien. Vijftig onbekende ooms en tantes, neefjes en nichtjes omhelsden mij. Vreselijk, want ik kon onmogelijk al die namen onthouden. We reden in een bus naar de Hoge Rijndijk in Leiden waar we logeerden bij twee ongehuwde tantes. Zij vonden mij zo schattig serieus bidden voor het eten, zodat mijn moeder mij vroeg: ‘Cees, bid maar eens hardop!’, waarop ik braaf een weesgegroetje uitsprak. Diep geschokt riepen beide tantes: “Mientje, zie je wel, hij is katholiek geworden!” Geschrokken verliet ik huilend de kamer. Er was enorme ophef over in ons hervormde gezin.

Last

Na de oorlog heeft mijn vader zijn eigen fabriek kunnen opbouwen en tot aan zijn pensioen, op de leeftijd van vijftig jaar, nog vijf jaar voor de BPM gewerkt. Op hoge leeftijd kreeg hij toch nog last van zijn ervaringen in het jappenkamp. Hij had nog vele schriften uit het kamp bewaard met de lekkerste recepten. “Waarom schreef je die op?”, vroeg ik hem. “Met het uitwisselen van recepten en het praten over het bereiden ervan bestreden we het hongergevoel.”, antwoordde hij. Ook had hij van djatihout schaakstukken gesneden en de servetringen met onze namen erop nog bewaard. Omdat ik zo jong was, had ik vrijwel geen schooljaren verloren. Tijdens mijn Leidse studietijd had naar ik schat een kwart van mijn medestudenten ook in jappenkampen gezeten. Dus met vrienden onder elkaar sprak je er weleens over. Toen bleek dat wij als gezin ongelofelijk veel geluk hebben gehad. Het had zo heel anders kunnen lopen, wat voor velen het geval is geweest! In mijn beleving was de honger het ergst. Onder mijn zusters vleugels voelde ik mij altijd veilig en ik had een lieve moeder. Dankzij hen voelde ik mij er - ondanks alle ontberingen - toch geborgen. Waarschijnlijk heb ik er daarom nooit meer over gedroomd, maar misschien komt dat nog?’

Interview: Ellen Lock, SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak, September 2011