Bevrijdingsverhalen

Ode aan Jelle en Jeltje de Vries

Oudega klinkt ons als muziek in de oren. Er gaat bij ons thuis niets boven het Friese dorpje met nog geen 300 inwoners. Dankzij het Friese boerenechtpaar Jelle en Jeltje de Vries uit ‘Aldega’ zijn wij er nog. Zij namen eind 1943 het moedige besluit onderduik te verschaffen aan een Joods gezin op de vlucht, mijn ouders en mijn toen eenjarige broer Awraham Philip Barend. Dat ‘lytse’ (kleine) Joodse jongetje werd al gauw Bertje de Vries. In 1947 werd ik geboren en Frits Jelle genoemd. De eerste dochter van mijn broer kreeg als tweede naam Jeltje, waarna mijn oudste kleinzoon de naam Jelle kreeg. Twee jaar geleden mochten mijn broer en ik de kinderen van de lokale basisschool De Fluessen vertellen over de betekenis van hun dorp voor ons leven. Dat ze trots mogen zijn dat heel Oudega wist dat bij Jelle en Jeltje drie Joden zaten ondergedoken en dat niemand de 7,50 gulden kopgeld ging ophalen, die je kreeg voor het verraden van een Jood. Leerlingen en leerkrachten wilden meer en besloten het graf van Jelle en Jeltje de Vries te adopteren. Tijdens een plechtigheid heeft het graf vorig jaar dankzij De Fluessen de status van nationaal 4/5 mei monument gekregen. Kleinzoon Sam Frits Jelle bedankte de school waarna kleinzoon Seb vroeg: ‘Waarom heet ik geen Jelle?’
— Frits Barend
Voedseldropping op Ypenburg, mei 1945. Foto: Beeldbank Rijswijk.
Trouwfoto Arie Kooiman, 1942, Foto: familiealbum Arie Kooiman.

1942 zeven jaar, 1945 tien jaar

Drie maanden nadat we met twee families in een klein huisje in de Rijpwijk in het Tjihapit kamp waren getrokken, stopte een glanzende, mooie, zwarte auto voor de deur. Twee Japanse officieren stapten uit en vroegen naar mevrouw Van Galen... Ze kwamen binnen en zetten zich aan onze eettafel, die we met twee families deelden. Een van hen zei: ‘Mevrouw Van Galen uw man wordt morgen gefusilleerd, u mag nog een laatste brief aan hem schrijven.’
Mijn moeder schreef haar brief en zij vertrokken. We geloofden het niet. Maar onderbewust dacht je toch altijd wel: ‘Zou het waar zijn?’ Mijn vader was een politieke gevangene en zat in de Soekamiskingevangenis, cellulair.
Na 15 augustus 1945 stuurde het Rode Kruis een kaart, waarop stond dat de heer Van Galen gedurende de bezetting stierf. Geen details. Die kaart kwam bij ons aan,... Toen geloofden we het... Wij zaten ondertussen in kamp Kramat, mijn broer in kamp Tjimahi. Een paar dagen later bleek dat deze kaart was bedoeld voor een mevrouw Van Galen, die in een andere straat woonde. Je kunt je onze vreugde indenken. ‘Blijheid’ is niet genoeg om het uit te drukken. Na drie maanden werden we herenigd met mijn vader en mijn broer, die hem al had gevonden.
Vader is zesennegentig jaar geworden.
— Femke Young-van Galen

Bevrijdingsverhaal

Mijn bevrijdingsverhaal is niet echt bijzonder. Ik ben geboren op 20 juli 1940 en heb dus eigenlijk alleen herinneringen aan het laatste jaar, met name aan de bevrijding. Het eerste hoopgevend teken: er kwam een vliegtuig laag over met oranje driehoeken. ‘Het is er één van ons!’
Op de dag dat de capitulatie van Japan bekend werd, verbaasde ik me over de houding van de vrouwen; ze waren door het dolle heen van vreugde en lieten tegelijk hun tranen de vrije loop. Ik kon dat niet rijmen, blij zijn en tóch huilen? Ook verschenen er ineens andere vlaggen dan die gehate rode bal. Deze vlaggen waren rood, wit en blauw, véél mooier!
De vrouwen hadden kennelijk de vlaggen gedurende hun internering in banden geknipt en bewaard tot deze heugelijke dag. Er werd een prachtig lied gezongen, het voor mij toen onbekende Wilhelmus. Sindsdien hebben het Wilhelmus en onze vlag voor mij een zeer speciale betekenis. Ik kan me mateloos ergeren aan mensen die bij een behaald diploma de vlag uitsteken en dagen laten hangen. Of de vlag uit (boeren)protest ondersteboven meevoeren. Ook kan ik de commentaren op het Wilhelmus (het past niet meer in onze tijd) niet begrijpen.
— Jan de Vries

Bevrijding 1945

We zitten sinds 11 augustus 1945 in kamp Banjoebiroe 10. Eind augustus komt een Dakota over met in de deur twee mannen, we roepen naar elkaar; ze gooien oranje en witte bonnetjes uit, die in het meer waaien. Ik vraag inheemse vissers er wat voor mij op te halen. Oranje met de beeltenis van Wilhelmina en ‘bevrijd’; de witte: ‘blijf voor je veiligheid in het kamp.’ Er verandert niets, de Jap blijft wreed. Op een dag kruipen mijn broertje ik door een rioolbuis onder het gedek - de kampafrastering - door. Op de kruising zien we een pasar, de kleur en geur van de specerijen en de verschillende vruchten, en allemaal mensen die aan het ‘shoppen’ zijn geweest. Er is vast een avondklok, want men gaat terug naar de kampen.
Begin september komt een Rode Kruis-inspectieploeg in het kamp; er wordt gefluisterd dat er een Zwitser bij is. Moeder, meer dood dan levend, sleept zich naar de weg en roept hem aan, hij herkent haar na drie jaar niet meer, schrikt enorm als hij moeder herkent - als kennis van voor de oorlog - en vraagt: ‘Wat kan ik voor je doen?’ 
Waarop zij antwoordde: ‘Washulp!’ Moeder en de kleinste hebben dysenterie en er moet dagelijks gewassen worden. De wasvrouw komt en moeder krijgt vitamine B12-injecties; ze overleeft! Ook verbetert de voedselvoorziening hierna aanzienlijk. De Hollandse Overste Pieter Jacobus Droog uit ditzelfde inspectieteam wist 300.000 gulden van Zwitserland te verkrijgen als een schuld van de Nederlandse aan de Zwitserse staat, waarmee hij vruchten, eieren en rijst kon kopen en deze verdeelde over de kampen in de regio Semarang en een grote sterfte voorkwam onder 30.000 geïnterneerde vrouwen en kinderen.
Bevrijding 1945 is voor mij het moment waarop de Zwitser Alfred Hermann Ilg, waarnemend consul van Zwitserland te Batavia, met zijn hand een gebaar maakt en de muur van de schouder aan schouder opgestelde kaalgeschoren Jappen uitéén gaat. Met een auto met chauffeur worden we naar een oorlogsschip gebracht dat ons richting Singapore brengt, waar vader wacht. Het is dan 16/17 november 1945.
— Dieter van Schagen
Kamp Banjoebiroe 10, de waterput voor ons drinkwater. Foto: Familiealbum Dieter van Schagen.
Brief aan Akke Kooiman, 1944, Foto: familiealbum Arie Kooiman.

De bevrijding van Breda

Het was voor mijn moeder, mijn zuster en mij een zéér emotionele periode. In 1944 kregen wij van het Rode Kruis telefonisch bericht dat vader als gevolg van een hoofdinfectie zijn gevangenschap waarschijnlijk niet zou overleven. Hij was in 1943 opgepakt en als militair afgevoerd naar Duitse krijgsgevangenenkampen. Op 29 oktober 1944 kwamen de Poolse Sherman-tanks en brencarriers via de Molengrachtschestraat Breda binnenrijden. We konden uit de schuilkelder komen. Ons dak bleek beschadigd door een mortiergranaat. Ik was door het oog van de naald gekropen, want mijn bed was doorzeefd met scherven! Ons huis werd ingericht als ‘officiersmess’ en twee Poolse officieren werden bij ons ondergebracht. Vlakbij ons huis was Poolse artillerie opgesteld, die Duitse doelen over de Maas bestookte.
Doordat de 1e Poolse Pantserdivisie niet verder kon oprukken naar het nog bezette noorden, bleven de Polen in Breda tot eind februari 1945. De bevrijding van Breda konden wij niet uitbundig vieren, omdat vader nog niet thuis was. Als door een wonder overleefde mijn vader de oorlog en is hij in april 1945 in Mühlberg an der Elbe, Kamp Stalag IV-B, door de Russen bevrijd. Begin juni 1945 stond hij plotseling voor de deur. Pas toen konden wij de ‘Bevrijding van Breda’ vieren!
— Joop Peeters, Breda
Bredase vluchtelingen op weg – mei 1940. Foto’s: Familiealbum Joop Peeters.
Aan het werk op de boot van mijn vader, Foto: familiealbum Arie Kooiman.
Een Bredase vluchteling met bepakking - mei 1940.
Bij monument voor de dwangarbeiders Zöschen, Foto: familiealbum Arie Kooiman.
Duitse vliegtuigen (Stuka’s) beschieten de Bredase vluchtelingen in mei 1940.
Arie Kooiman, 2013, Foto: Ellen Lock.
Binnentrekkende Poolse Sherman tanks in de Molengrachtschestraat (thans Poolseweg) in Breda – 29 oktober 1944.
Arie Kooiman, 2013, Foto: Ellen Lock.

Bevrijding

Augustus 1945. Wij zitten in het kamp Lampersari in Semarang. Moeder is aan het werk. Ik ben een meisje van vijf jaar. Vandaag ben ik naar de andere kant van het kamp gelopen. Zo ver ben ik nog niet eerder gegaan. Hier bij het prikkeldraad staat de wachttoren van de Jappen. Een vierkant hoog gebouwtje. Bovenin zit een Jap op de uitkijk. Daar moeten wij voor oppassen. Hij kan signalen geven aan andere Jappen en die kunnen hard slaan als hen iets niet bevalt. Bijvoorbeeld als je niet diep genoeg voor hen buigt. Mij zullen ze niet gauw slaan, maar als ik iets verkeerd doe, pakken ze moeder. Daar ben ik aldoor bang voor. Nu hoor ik geronk. Het wordt luider. Iedereen kijkt naar boven. Er komen vliegtuigen aan. Ze vliegen heel laag, vlak over ons heen. Ik buk. Ik ben bang. Er vallen grote pakketten uit de vliegtuigen. Ik denk dat het bommen zijn. Worden we nu doodgegooid? Maar vrouwen lopen op de pakken af en maken die open. Er blijkt eten in te zitten. Iedereen probeert iets te grijpen. Er is een grote verwarring. Ik begrijp er niets van en ben alleen. Waar is moeder?
— Anne Marie van Goch

De Bevrijding komt

Nu we al zowat twee jaar verscholen zaten in een kippenhok in de Brabantse Peel, dacht vader dat we al gauw onze bevrijders te zien zouden krijgen en dat we er met zijn allen heen moesten gaan om ze te verwelkomen. Op dat moment was ik elf jaar en ik vroeg mijn vader of het niet gevaarlijk was om zo dichtbij het vechten te komen. ‘Daar heb je gelijk in,’ zei vader, ‘maar alles wat we doen is gevaarlijk.’ Hij zei ook dat hijzelf het risico wel wilde nemen. ‘Maar ik neem je het niet kwalijk als je hier wilt blijven.’
Natuurlijk wilde ik toen ook meegaan. Het regende alsmaar door, al dagen lang. Op weg naar de harde weg moesten we door de modder. Er lagen stammen over de ergste stukken. Als je er afgleed, stapte je zo de modder in. De tanks van de geallieerden reden heel langzaam, de een na de ander, in een lange rij langs de harde weg. Ze moesten zorgen dat ze op de weg bleven. In de modder zouden ze zeker vast komen te zitten. Toen ze tot stilstand kwamen, sprong vader op een van de tanks en schreeuwde: ‘Thank you! We have been waiting for you a long time.’ – ‘Dank u! We wachten al een lange tijd op u!’
— Max Amichai Heppner

Bevrijd door de Russen

In april 1943 was ik vijf jaar toen wij uit huis zijn weggehaald, mijn moeder was zwanger. Wij - vader, moeder, zusje en twee broers - moesten ons melden in kamp Westerbork. Twee maanden later is mijn broertje Baruch Nechemja er geboren en na drie weken overleden. Na zijn overlijden kon mijn moeder het opbrengen om andere baby’s de borst te geven. In januari 1944 moesten we op transport naar Bergen Belsen. Daar waren de omstandigheden erbarmelijk. Mensen die mishandeld werden, die gek werden, die ontkleed door het kamp liepen, de voortdurende honger. Moeder gaf ons het weinige voedsel. Begin april 1945 beseften de Duitsers dat zij de oorlog gingen verliezen. Ons gezin werd in een veewagon gesmeten. Twee weken dolend door Duitsland op de vlucht voor de oprukkende Geallieerden. In Tröbitz, in het oosten van Duitsland, werden wij eind april door de Russen bevrijd. Mijn moeder is in die trein aan de honger bezweken en in een massagraf naast de spoorrails begraven. Mijn vader en wij kinderen kwamen met meer dan 40 graden koorts en met tyfus tenslotte via Riesa en Leipzig terug naar Nederland.
Lijdend aan tuberculose kwam ik pas eind maart 1946 ‘thuis’. Terug in Nederland probeerde mijn vader met zijn kinderen het leven weer op te bouwen. Over de oorlog spraken we niet. De pijn was te groot. Alleen een foto is wat ik van mijn moeder heb. Altijd op mijn hart gedragen. En ín mijn hart…
— Ies (Izak) Vorst

Tjideng en de Red Barnet

We woonden in Jakarta waar vader werkte voor de Twentsche Bank. In 1942 kwamen de Japanners en verdween mijn moeder met drie kinderen van 3, 4 en 7 jaar naar het Tjideng kamp. Zij bleek een sterke vrouw die ons door die donkere jaren loodste. Van de kampperiode weet je als driejarige niets af, maar je slaat toch informatie op. Als zich later iets voordoet, herken je meteen die angst van toen weer. Ik heb geleerd om emoties niet te tonen, want als je als kind huilde op het appèl, dan werd je moeder geslagen. Vader is sinds de Japanse inval gevangen genomen. Wij kenden hem nauwelijks, ik als jongste kind zeker niet. Hij zou met 6.500 gevangenen tewerkgesteld worden aan de Pakan Baroe Spoorweg in Sumatra. Op 19 september 1944 werd zijn boot, de Junyo Maru, door de Engelse onderzeeër de Tradewind onder vuur genomen. Slechts 800 mensen overleefden het, zo niet onze vader. In december 1945 vertrokken wij met de Nieuw Amsterdam, waar een mazelenuitbraak was, zodat we nergens mochten aanmeren. Moeders moesten hun gestorven kind aan de zee toevertrouwen. 
Na terugkeer in Amsterdam in januari 1946 zaten we daar eerst bij familie. Via de Deense hulporganisatie Red Barnet (Red het kind) werden wij, de drie kinderen, naar Denemarken gestuurd om aan te sterken. Op het eiland Bornholm in de Oostzee heb ik heel liefdevolle pleegouders gehad. Nog steeds is er contact met de hele familie, nu spreekt iedereen gelukkig Engels. Zodra we weer met de boot aankomen op Bornholm voelt het als thuis. Misschien herkent iemand dit?
— Ruud van Meningen

Bron: SVB/V&O-cliëntenblad Aanspraak, Juni 2020.