Woorden kunnen doden

De 97-jarige Betty Bausch-Polak geeft nog altijd lezingen op scholen in Nederland, Duitsland en de Verenigde Staten over haar belevenissen tijdens de Tweede Wereldoorlog.

In haar lezingen waarschuwt Betty Bausch jongeren voor discriminatie en racisme. Betty Bausch: ‘Ik heb ervaren dat discriminerende woorden leiden tot haat en geweld tegen minderheden. Daarom moet je alle vormen van discriminatie direct in de kiem smoren.’ Voor haar gastlessen op Duitse scholen kreeg zij in november 2015 het Bundesverdienstkreuz, de Orde van Verdienste van de Bondsrepubliek Duitsland.

Betty Bausch-Polak, 2016.
Foto: Ellen Lock

Opgroeien bij Artis

‘Mijn vader was accountant en mijn moeder was lerares. Zij waren Joods-orthodox en hadden vier kinderen, waarvan ik de derde was.

Op 4 april 1919 ben ik geboren in Amsterdam. We woonden in de Plantage-buurt, vlakbij Artis, dat ik iedere dag bezocht met mijn zusjes Juul en Lies. Om mijn vader te plezieren volgde ik na de Vormschool voor Kleuteronderwijs een jaar lang Joods Godsdienst­onderwijs.

V.l.n.r.: Betty, Lies, Jaap en Juul Polak. Foto: Familiearchief Betty Bausch-Polak.
V.l.n.r.: Betty, Lies, Jaap en Juul Polak Foto: Familiearchief Betty Bausch-Polak.

Daarna kon ik als leerkracht invallen op een lagere school. Dat was geen succes, want ik vertelde te spannend over Jozef en Benjamin in Egypte, zodat alle kinderen in tranen gingen. Ik ben toen particulier gaan lesgeven.’

Pioniers worden in Palestina

‘Al vanaf 1933 sprak Hitler op de radio over Joden die hij met ratten vergeleek. Dan riep iedereen bij ons thuis: “Betty, zet dat uit!” Maar ik vond toen al dat je zijn woorden niet moest negeren, maar juist bestrijden. Mijn zusjes en ik brachten mijn moeders maaltijden rond aan Duits-Joodse vluchtelingen in Amsterdam en hoorden hun verschrikkelijke verhalen over Hitler-Duitsland.

Van 1937 tot 1939 volgde ik de Palestina-pioniersopleiding in Laren en werkte in de tuin van de Berg-Stichting.

Lies en Betty. Foto: Familiearchief Betty Bausch-Polak.
Lies en Betty. Foto: Familiearchief Betty Bausch-Polak.

Philip de Leeuw en ik ontmoeten elkaar in de Zionistische jeugdbeweging. We wilden pioniers worden in Palestina en de vonk sloeg meteen over. Hij gaf zijn studie Economie op om in de landbouw te werken. Als reserve eerste luitenant werd hij in 1938 onder de wapenen geroepen om de grens in Dinxperlo te verdedigen. Daarom trouwden we op 21 december 1939. In april 1940 namen de spanningen rond de grens toe en begin mei werden Philip en zijn manschappen bij de Grebbeberg ingezet.’

Philip de Leeuw. Foto: Familiearchief Betty Bausch-Polak.
Philip de Leeuw. Foto: Familiearchief Betty Bausch-Polak.

Een geluk bij een ongeluk

‘Op 10 mei 1940 brak de oorlog uit. Vijf dagen later was de capitulatie, Philip leefde nog en werd op 15 juni gedemobiliseerd. Als Joodse krijgsgevangene moest hij vluchten of onderduiken. In de herfst van 1940 probeerden we naar Engeland te vluchten, maar de boten zaten telkens te vol. De derde boot die we wilden nemen is getorpedeerd, waarbij allen omkwamen.

Betty en Philip, getrouwd op 21 december 1939. Foto: Familiearchief Betty Bausch-Polak.
Betty en Philip, getrouwd op 21 december 1939. Foto: Familiearchief Betty Bausch-Polak.

Achteraf bleek het een geluk bij een ongeluk. We vestigden ons in Deventer, waar Philip in het Palestina Pioniers Centrum ging werken en ik op het tuinbouwbedrijf de Ziele in Twello. Eén dag per week bezocht ik als enige meisje de fruitteeltschool in Terwolde, waar ingenieur Honig directeur was. In 1942 kreeg hij van regeringswege driemaal een schriftelijk bevel om mij als Joodse van school te sturen. De heer Honig kon uiteindelijk niet anders. Bij ons afscheid gaf hij me een briefje en zei: “Dit is ons huisadres in Zutphen, je kunt daar altijd terecht!”’

Hier scheidden onze wegen

‘Om veiliger te zijn verhuisden Philip en ik naar de Joodse psychiatrische inrichting ‘Het Apeldoornsche Bosch’ in 1942. We werkten er als tuinlieden. In januari 1943 kwam het bericht dat de inrichting ontruimd zou worden. Philip en ik doken samen net op tijd onder. De nacht daarop zijn de patiënten en de helft van het verplegend personeel weggevoerd. Wij liepen door de donkere bossen naar Amersfoort, waar we de trein naar Hilversum namen. Een verzetsman wachtte op ons met valse persoonsbewijzen en twee fietsen. Hier scheidden onze wegen en mijn trouwring ging af.

Philip heette Philip van Andel en ik heette Jo Musch. Ik werd dienstbode in Laren bij een rijke familie, die mij als ondergeschikte behandelde. Na twee maanden hield ik het er niet meer uit. Vervolgens kon ik in een kindertehuis in de Johannes Verhulststraat in Amsterdam werken, waar ik de zorg kreeg voor katholieke kinderen zodat ik mij snel hun religieuze gewoonten eigen moest maken. Op een dag begonnen de kinderen een liedje te zingen: “Juffrouw Jootje is geen Joodje, Juffrouw Jootje is geen Jood”, waardoor het te onveilig werd en ik weer moest verkassen.’
Philip en Betty in de tuin van ‘Het Apeldoornsche Bosch’. Foto: Familiearchief Betty Bausch-Polak.
Philip en Betty in de tuin van ‘Het Apeldoornsche Bosch’. Foto: Familiearchief Betty Bausch-Polak.

Het visbestek als aandenken

‘Dit keer werd ik babyverzorgster in een bovenwoning aan de Stadhouderskade. Het lukte mij niet om mijn ouders en mijn broer Jaap met zijn echtgenote te laten onderduiken. Ze konden niet geloven dat Hitler Joden wilde ombrengen. Bij een razzia werden ze opgepakt en naar kamp Westerbork gebracht. Gelukkig kon ik nog pakketjes naar ze sturen in Westerbork, die ik in de brievenbus achterop de tram stopte. Ondanks mijn angst om het huis te verlaten, waagde ik me toch verschillende malen op de fiets naar Laren om Philip te bezoeken die ik enorm miste. Hij kon nooit naar buiten, omdat hij er te Joods uitzag. Na een grote razzia sloop ik met een reservesleutel naar het huis in de Sarphatistraat van mijn weggehaalde zus Juul en haar man. Ik schrok van het tafereel dat ik in hun keuken aantrof: het visgerecht restant op tafel en de inderhaast neergeworpen servetten toonden hoe zij van tafel waren weggerukt. Als tastbare herinneringen aan haar pakte ik het visbestek mee en haar ochtendjas.’

Geen angst tonen, dan ben je verloren

‘In 1944 werd Philip leider van een knokploeg in Bilthoven. Ook werd hij secretaris van Kees Boeke, de oprichter van de Werkplaats Kindergemeenschap in Bilthoven, en kreeg een kamer in een groot huis met andere medewerkers. Niet ver hiervandaan werkte ik als dienstmeisje, zodat we elkaar regelmatig zagen. Iedere avond oefende ik gezichten voor de spiegel om geen angst te tonen als ik werd aangehouden, want dan ben je verloren! En ik perfectioneerde mijn Duits. Tijdens een poging tot sabotage op de spoorbaan om de aanvoer van V1- en V-2 installaties te belemmeren, werden Philip en twee andere jonge verzetsmannen overvallen door de Duitsers. Philip wist te ontkomen, maar de jongste viel in Duitse handen. Hij werd zwaar verhoord en stierf twee dagen later aan de verwondingen. Die avond werd iedereen in de school van Kees Boeke opgepakt. De Gestapo bracht ons naar een woonhuis in Bilthoven, waar we werden verhoord. Je hoorde de stokslagen en het gekrijs op de gang. Philips bril en tanden waren kapotgeslagen, maar hij had niets losgelaten. ’s Morgens om half negen werd ik verhoord in een omgedraaide stoel, zodat ik die wrede Hollandse verhoorder niet zou zien. Hij twijfelde aan de echtheid van mijn persoonsbewijs. Gelukkig zag hij mijn angst niet, ik liet niets los en moest evenals Philip naar de Utrechtse gevangenis ‘Wolvenplein’.’

Mijn trouwste kameraad

‘In die gevangenis waren ook goede gevangenbewaarders die ons briefjes van elkaar toespeelden. Philip schreef dat hij mij nauwelijks een jaar kende. Aan dit briefje dank ik mijn leven. In zijn afscheidsbriefje stond: ‘Jij bent altijd mijn trouwste kameraad geweest.’ Ik werd meerdere malen verhoord en alleen in een cel opgesloten. Na anderhalve week werd ik vrijgelaten. In mijn laatste verhoor begon de Duitse directeur van de gevangenis: “Sie sind doch Judin?” Ik antwoordde: “Merkwaardig dat u dat zegt, maar dat ben ik niet.” Ik liet uiteraard niets los. Vlak voor mijn vrijlating kwam een gevangenbewaarder met briefjes van gevangenen naar me toe, die ik in mijn schoenen stopte. Even later gaf de Gestapo-chef mij mijn portemonnee en persoonsbewijs terug. Hij zei: “Wacht nog even!” Hij stak zijn hand uit en zei: “Geef me nu de briefjes, er zal jou niets gebeuren en dan ga jij naar huis!” Ik lachte hem zo luchtig mogelijk toe en blufte: “Dacht u nou werkelijk dat ik briefjes mee zou nemen als ik vrij kan komen?”

Hij trapte erin en zei: “Gaat u maar!” Bij de uitgangspoort kon ik van uitputting geen stap meer zetten. Een Duitse wacht zei: “Ben jij vrij?” Daarop barstte ik in snikken uit, want ik wilde zo graag dichtbij Philip blijven. Deze Duitse wacht was onverwacht vriendelijk: “Je moet nu weggaan van deze vreselijke plaats! Je bent nog jong en hebt nog een heel leven voor je!” Ik zal die goede Duitser nooit vergeten.’

De represaille

‘Na een paar dagen ging ik terug naar de gevangenis. Daar stond een goede Hollandse wachter. “Wil je deze bril aan Philip geven?”, vroeg ik. “Hij is samen met Pieter weggehaald.”, zei hij treurig. “Waarheen?”, vroeg ik. “Dat weten wij niet, alleen de Gestapo op de Maliebaan weet meer.” Dus ik fietste erheen, omdat ik wilde weten waar Philip was. Beleefd werd ik ontvangen door de hoogste Gestapo-chef: “Setzen Sie sich!” Hij begon over een neergeschoten Duitser in de buurt van Veenendaal en over de represaille. Hij liep naar een kastje aan de muur en haalde daar iets uit. Hij ging voor me staan en liet me op zijn hand Philips horloge en zijn trouwring zien. “Daarin ben ik niet geïnteresseerd. Dan ga ik nu.”, antwoordde ik zo kalm mogelijk, terwijl ik het van binnen bestierf. En weer kon ik naar buiten lopen. Het verzet vond het ondenkbaar dat een Jodin was vrijgelaten en vermoedde dat ik wel iets moest hebben losgelaten. Daarom wilden ze niets meer met mij te maken hebben. Gelukkig kon ik nog terecht op het onderduikadres van mijn schoonzus in Oegstgeest.

Philip is op 20 november 1944 met vijf anderen gefusilleerd op een plek tussen Rhenen en Veenendaal als represaille voor de aanval op een Duitse soldaat twee dagen eerder. Niemand van hen had iets te maken met de aanslag. Op deze fusilladeplek staat een wit kruis en jaarlijks probeer ik bij de herdenking te zijn.’

De enige condoleance

‘Na de bevrijding ging ik naar de politie in Amersfoort om te achterhalen waar Philips graf was. Zij vertelden dat hij in Veenendaal was begraven. Later is hij herbegraven op het ereveld bij Loenen. Niemand condoleerde je na de oorlog, want je blééf condoleren. In 1947 kreeg ik van Koningin Wilhelmina een condoleancebrief als weduwe van een verzetsheld. Dat was de enige condoleance die ik kreeg. Ik verloor in de oorlog mijn man, mijn ouders, mijn schoonouders en mijn oudere zus. Mijn broer Jaap en zus Lies overleefden kamp Bergen-Belsen. Lies was een van de 222 Joden die werd uitgewisseld in 1944 met een groep Duitse Tempeliers die in een kamp in Brits Palestina gevangen zaten. Als verpleegster ging zij mee ter begeleiding. Jaap is 102 jaar geworden en Lies is 94 en ik zie haar nog geregeld in Israël. In december 1981 zijn mijn tweede man en ik in Eilat gaan wonen. Zijn gezondheid was slecht, mede door de gruwelen van kamp Amersfoort. Het kurkdroge klimaat had een goede invloed op hem. Toch is hij na een jaar in Eilat overleden.

Betty Bausch-Polak, voorjaar 2016.
Betty Bausch-Polak, voorjaar 2016. Foto: Ellen Lock.

Ik voel mij altijd bezwaard, omdat ik mijn ouders niet heb kunnen overreden om onder te duiken. Zij wilden dit niet, omdat veel mensen van hen afhankelijk waren. Elke dag draag ik het medaillon van mijn moeder om mijn nek met een foto van mijn ouders erin. Het is mij het meest dierbaar van alles wat ik heb.’

Mijn moeders medaillon met de foto van mijn ouders.
Mijn moeders medaillon met de foto van mijn ouders. Foto: Ellen Lock.

Interview: Ellen Lock, SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak juni 2016.