‘Niet verbitteren, maar doen!’

Jappenkampoverlevende Berthe Korvinus: ‘Mijn moeders strijdbaarheid heeft ons gered.’

Berthe Korvinus, 2013
 
Berthe Korvinus, 2013, Foto: Ellen Lock.

Op 25 augustus 2013 sprak Berthe Korvinus tijdens de Herdenking Vrouwenkampen in Bronbeek. Zij kreeg in 1996 de Harriët Freezerring en in 2011 een koninklijke onderscheiding voor haar jarenlange strijd tegen vrouwenhandel en gedwongen prostitutie. Haar drijfveren voeren terug op haar eigen geschiedenis; zij overleefde met haar moeder en twee zussen de jappenkampen Moentilan en Banjoebiroe 9. “Sindsdien weiger ik te accepteren dat vrouwen en kinderen vertrapt en vernederd worden.” In Aanspraak vertelt zij over haar eigen ervaringen.

Bestolen door rampokkers

‘Op 6 juni 1938 ben ik in Keboemen op Midden-Java geboren, anderhalf jaar na mijn oudere zus Tineke en anderhalf jaar voor mijn jongere zus Dien. Mijn drie broers zijn van na de oorlog. Mijn vader was een gereformeerde zendingspredikant in Keboemen en van begin 1940 tot 1942 in Palembang op Zuid-Sumatra voor de Javanen aldaar. Daarna zijn we terug gevlucht naar zijn standplaats in Keboemen. Mijn moeder was violiste en speelde ons altijd in slaap. Vlak voor de Japanners Java binnenvielen roofden rampokkers ons hele huis leeg. Kleding en meubels waren verdwenen, maar het ergste was dat mijn moeders viool was gestolen. Moeders schoonzus, tante Hinke, liet als huishoudschooldirectrice haar leerlingen kleding voor ons naaien, omdat wij niets meer hadden.

Moeder, mijn oudste zus en ik. Foto: familiealbum Bertehe Korvinus.
Moeder, mijn oudste zus en ik, Foto: familiealbum Bertehe Korvinus.

Op de vlucht

‘In de nacht van 10 op 11 januari 1942 vielen de Japanners Menado en Celebes aan. Daarop besloten mijn ouders om hun jongste dochter Dien weg te geven aan een kinderloos echtpaar dat terugkeerde naar Java. Eind januari op een zondagochtend vielen ze Zuid-Sumatra binnen. Mijn vader stond op de preekstoel, toen we schoten hoorden en iedereen angstig de kerk uitrende. Die nacht vluchtten we de rimboe in met de rugzakjes die al weken klaarstonden. We reden eerst een stuk en om middernacht gingen we per schip, zigzag varend tussen het vuur en de ontploffingen door, over Straat Soenda naar Java. De olieraffinaderijen stonden in brand. De herrie en chaos, de zoeklichten en het dekzeil ervaar ik nog in mijn nachtmerries. Na weken reizen, keerden we terug naar onze pastorie in Keboemen, waar ons babyzusje aan ons werd teruggegeven.’

Mijn ouders, mijn zusje Tineke, Dien en ik. Foto: familiealbum Berthe Korvinus.
Mijn ouders, mijn zusje Tineke, Dien en ik, Foto: familiealbum Bertehe Korvinus.

Onzichtbaar blijven

‘Op 8 maart 1942 capituleerde Nederlands-Indië. Een paar maanden later werden wij als gezin geïnterneerd in Moentilan dat ligt tussen Djokjakarta en de Boroboedoer. Het kamp lag tegenover het klooster van de Zusters Franciscanessen en het was afgesloten door gedek, een afrastering van rieten matten en prikkeldraad. Mijn vader was de eerste weken nog bij ons en stond de zieken geestelijk bij. Met mijn moeder sliepen mijn zusjes en ik op één brits in een schoollokaal. Franciscaner nonnen gaven ons onderwijs en tekenden met een stok in het zand. Dat was verboden, dus als de Japanse bewaker voorbijliep veegden we snel alles uit. Dagelijks telden ze ons op de appelplaats en moesten we urenlang in de hete zon staan. Als je als kind iets verkeerd deed, straften ze je moeder met de zweep. Wat er precies fout was, verschilde per dag. Het was dus de kunst om onzichtbaar te blijven, zodat je moeder niet geslagen zou worden. In het lege zwembad werd veel gemarteld en gemoord. Ik verstopte me alsmaar voor het geschreeuw. Sommige dingen vergeet je nooit: zoals de Jap met de zweep, laarzen die vrouwen voor je ogen vertrappen of de vrouw in het hondenhok, die ze altijd moesten hebben.’

Op de rand van leven en dood

‘Overdag moest mijn moeder stenen sjouwen over de kali naast het kamp. Na vaders vertrek ontfermde zij zich over de zieken als ze ’s avonds van de dwangarbeid terugkeerde. Wij vingen vuurvliegjes, zodat we na zessen nog wat licht hadden in het aardedonker. Elke dag vingen Tineke en ik grote slakken voor de zieken. Mijn moeder stond een keer op wacht te praten met een medegevangene over muziek en vergat te buigen voor een langslopende Japanner. Daarop kreeg ze een zware lijfstraf. Ze is toen zo hard op haar armen geslagen dat ze later nooit meer viool heeft kunnen spelen. Haar grootste angst was dat ze mij zou verliezen. Ik kreeg hoge koorts en lag in mijn eigen ontlasting. Mijn zus Tineke raakte mij niet aan vanwege het besmettingsgevaar. Zij gaf mij op verzoek van mijn moeder overdag water opdat ik niet zou uitdrogen. “Alleen je ogen leefden nog, de rest was al opgegeven!”, vertelde mijn moeder me later. Op haar sterfbed vertelde ze dat ze nog een medicijn heeft gehaald bij een vrouw in het kamp die dit had achtergehouden. Dankzij dit medicijn heb ik het gered.’

Niet verbitteren, maar doen

‘Eens in de zoveel tijd werd er iets verloot. Op het moment dat ik een groot ganzenei won was ik het gelukkigst. We deelden altijd alles en het kleine stukje gebakken ei smaakte overheerlijk. De Japanners hongerden ons uit. We kregen altijd te weinig stijfselpap. Mijn moeder weigerde het gerucht te geloven dat mijn vader zou zijn overleden. Zij had een rotsvast vertrouwen in een betere wereld en putte veel kracht uit haar geloof. Ze zei: “Wat er ook gebeurt, je kunt bijna altijd een keuze maken. Je kunt van je nare ervaringen ook een kracht maken, om er iets positiefs mee te doen. Niet verbitteren, maar doen en strijden voor verbetering waar mogelijk!” Strijdbaarheid is voor velen in de kampen een overlevingsmechanisme geweest. Op mijn reizen voor mijn strijd tegen geweld ten aanzien van vrouwen en vrouwenhandel herkende ik die kracht bij vrouwen die ik in de Derde Wereld voor hun kinderen zag vechten.

Eind januari 1944 ronselde de Kempetai, de Japanse militaire politie, in Moentilan veertien jonge vrouwen voor het legerbordeel in Magelang.

Omdat er twee meisjes van 14 en 15 bijzaten kwamen de vrouwen in opstand. Die opstand werd op gewelddadige wijze met samoeraizwaarden neergeslagen. Ik zag vrouwen gewond neervallen en verstopte me snel. De meisjes zijn gered door twee ex-prostituees uit Semarang in het kamp, die aanboden hun plaats in te nemen. Later vertelde mijn moeder dat ze groot respect voor hen had.’

Blijf in beweging

‘Begin juni 1945 moesten we in de brandende zon van Moentilan naar geblindeerde treinen lopen. Zwaar verzwakt, uitgemergeld van de honger en apathisch door de hitte, wilden we telkens gaan zitten en dan kun je snel het bewustzijn verliezen. Mijn moeder zei: “Doorlopen, niet gaan zitten, in beweging blijven anders ga je dood!” Dat werd mijn levensmotto, want het geldt eigenlijk voor het gehele leven. We werden naar kamp Ambarawa 6 gebracht. Hier ontmoetten we tante Hinke. Het was fijn om haar weer te zien. Achteraf zijn we daar precies op tijd weggegaan, want een dag later werd op onze slaapplek een handgranaat gegooid. Begin augustus 1945 kwamen we aan in kamp Banjoebiroe 9 naast een groot moeras. Pas eind augustus hoorden we dat de oorlog over was.’

Het weerzien

‘Het Bersiap-geweld bemoeilijkte onze reis naar mijn vader in het mannenkamp in Bandoeng. Ondanks de begeleiding van ons konvooi door Brits-Nepalese Gurkha’s moesten we telkens schuilen voor de Indonesische vrijheidsstrijders, die ons beschoten vanuit de bomen. Mijn moeder bleef sterk en repareerde zelfs in dat gevaar onze kleding zodat we er fraai uit zouden zien voor vader. Op 12 november 1945 reden we op open legertrucks het kamp in Bandoeng binnen, eerst nog straal voorbij mijn vader. Een dame in onze truck zei: “Is dat uw man niet?” We herkenden hem nauwelijks en zijn verbaasde blik bij het weerzien zal ik nooit vergeten; “Leef jij nog?!” Hij had via een gerucht tijdens zijn gevangenschap begrepen dat ik dood was. Tot mei 1946 zijn we bij vader in het kamp gebleven, waar hij de jongens geestelijk steunde. Daar werd ik op mijn zevende voor het eerst verliefd op een jongen, Cor Sand, met wie ik gezellig kon praten. Zou hij nog leven?

Maar jullie hadden de zon nog!

‘Aan boord van de SS Boissevain voelde ik me niet veilig omdat wij voortdurend op het dek moesten oefenen voor een eventuele aanvaring met een zeemijn. Mijn moeder lag met malaria in de ziekenboeg en mijn vader was als scheepspredikant altijd voor anderen aan het zorgen. In IJmuiden aangekomen, zagen we tot ons afgrijzen allemaal mensen met handen door de hekken wuiven. Mijn zussen en ik draaiden ons alle drie tegelijk om. Het leek teveel op de uitgestrekte handen door de gevangenishekken in het kamp. Ondergebracht bij familie in Haarlem was tante Hinke daar ook. Kennissen, die op bezoek kwamen, klaagden over de Hongerwinter en zeiden: “Maar jullie hadden de zon nog!”. Dat zelfs de zon een martelwerktuig was geweest, konden ze zich niet voorstellen. Alle vergelijkingen liepen mank en toen mijn moeder het helemaal zat was zei ze: “Kom Hinke, dan maken wij even een ommetje!” Verder zweeg ze erover. Op mijn eerste schooldag in Haarlem besefte ik hoe heerlijk het was om vrij door het park te lopen zonder angst voor Indonesische vrijheidsstrijders achter de bomen.’

De oorlog is altijd impliciet aanwezig

‘Pas toen ik in 1996 de Harriët Freezerring kreeg voor mijn aandeel in de strijd tegen vrouwenhandel en gedwongen prostitutie, had ik het idee dat mijn overleven en mijn inzet voor anderen de moeite waard is geweest. Ik weiger te accepteren dat vrouwen en kinderen vertrapt en vernederd worden. In het naoorlogse Nederland werd altijd net gedaan of Nederlands-Indië er niet bij hoorde. Er was totaal geen oog voor oorlogsgetroffenen uit Nederlands- Indië. Het duurde lang voordat ik mijn gevoel van waardeloosheid uit het kamp kon keren. De oorlog was nooit expliciet, maar altijd impliciet aanwezig, omdat er nooit over werd gesproken. Maar daardoor is het niet weg, de spanningen waren dagelijks voelbaar. Mijn moeder zweeg erover, want ze wilde voor de jongens alleen maar naar de toekomst kijken. Op haar sterfbed kwam juist de oorlog weer in haar angstdromen naar boven. Ze bleek doodsbang te zijn geweest om me te verliezen in het kamp.

Mijn kinderen, Robert, Jeannette, Wilrik en ik, 2013. Foto: Jur Thomas.
Mijn kinderen, Robert, Jeannette, Wilrik en ik, 2013, Foto: Jur Thomas.

Loslaten

‘Al die angsten in je laatste levensuren wilde ik absoluut voorkomen. Ik heb drie maanden therapie gevolgd in Centrum’45, maar daarmee was ik er nog niet. Jaren na mijn moeders dood voelde ik nog de last op mijn schouders en armen. Het was toch absurd dat ik haar nog steeds wilde beschermen voor het geweld van de Japanners, terwijl zij er niet eens meer was. Een hapto-therapeute masseerde uiteindelijk in acht jaar tijd deze pijn weg. Pas in 2007 heb ik in Zandvoort aan Zee alle agressie eruit gegooid door net zo lang in het water te slaan tot ik niet meer kon. En dat loslaten in zee werkte enorm bevrijdend. Trots ben ik op mijn kinderen, Jeannette en Wilrik uit mezelf en één geschenk uit de hemel zei ik altijd; mijn adoptiefzoon Robert uit Semarang. Nieuw leven in mijn bijna kapotgemaakte lichaam voelde als een overwinning tegenover alle dood en verderf in de kampen, als een sprong, een salto naar het leven*.’

Interview: Ellen Lock, December-editie 2013, SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak

* De biografie van Berthe Korvinus ‘Salto naar het Leven’ is heruitgegeven in 2020 door BoekXpress ISBN: 978-94-6389-434-0.