Samen waakzaam tegen fascisme

In gesprek met PvdA-woordvoerder voor oorlogsgetroffenen Bert Middel

Sinds de val van het kabinet-Lubbers II in 1989 tot mei 2002 was Bert Middel lid van de Tweede Kamer voor de Partij van de Arbeid (PvdA). Hij heeft als kamerlid onder andere vreemdelingenbeleid, welzijn en sport in zijn portefeuille gehad en was namens de PvdA woordvoerder voor oorlogsgetroffenen. In de ogen van zowel andere kamerleden als organisaties van oorlogsgetroffenen werd hij gezien als dé specialist op dit gebied. Soms voerde hij hierover zelfs het woord namens (bijna) alle kamerfracties. De redactie van Aanspraak interviewde deze bijzondere woordvoerder nog voor de verkiezingen van 15 mei 2002.

Bert Middel.

Uit een rood nest

Op zijn werkkamer in het gebouw van de Tweede Kamer heeft Bert Middel een oude SDAP-poster aan de muur hangen. Bert: “Ik kom uit een rood nest, ik ben van na de oorlog, geboren in 1952 in een wijk met de eerste sociale woningbouw in Groningen, de Oosterparkbuurt. Binnen het arbeidersmilieu waar ik opgroeide was het niet de gewoonte om naar de HBS te gaan, maar mijn ouders zeiden altijd: ‘Bert moet doorleren! Hij moet later geen overall aan hebben.’ Ik studeerde sociologie in Groningen. Vanaf mijn zeventiende was ik actief lid van de PvdA en op mijn eenentwintigste koos men mij tot voorzitter van de Groningse PvdA, een afdeling met toen zo’n 3.000 leden. Naast mijn werk - achtereenvolgens als wetenschappelijk medewerker, HBO-docent, organisatieadviseur, journalist en directeur van een volkshogeschool en vormingscentrum - ben ik altijd actief partijlid geweest. Soms achter de schermen en soms aan het front, bijvoorbeeld als raadslid in Assen en als lijsttrekker voor de Statenverkiezingen in Drenthe. Toen in 1989 het kabinet- Lubbers II viel, vroeg de Drentse PvdA mij om hen in de Kamer te gaan vertegenwoordigen.”

Woordvoerder voor oorlogsgetroffenen

"Van jongs af aan was ik gefascineerd door de oorlog. Ik bleef mijn ouders vragen stellen over de Tweede Wereldoorlog. Mijn vader was als jongen van twintig opgepakt om als één van die 600.000 Nederlandse jongemannen in Duits- land dwangarbeid te gaan verrichten. Een ingrijpende gebeurtenis, hij was bij wijze van spreken nog nooit buiten Groningen geweest. Ik kende de verhalen van huis uit en ik had veel gelezen over de oorlog. Tot op de dag van vandaag kan ik niet begrijpen hoe mensen zo’n oorlog hebben kunnen veroorzaken. Hoe kan je voorkomen dat het ooit weer gebeurt? Mede daarom wilde ik als kamerlid graag de portefeuille voor oorlogsgetroffenen van Jan Schaefer overnemen. In 1990 was het zover en tot op de dag van vandaag ben ik het blijven doen. Dat het nog steeds in mijn portefeuille zit heeft eigenlijk drie oorzaken. In de eerste plaats is de fractie blij een specialist op dit gebied in haar gelederen te hebben. Mijn jarenlange betrokkenheid staat daarvoor garant. Ten tweede heb ik weinig concurrentie van andere partijen in de Tweede Kamer. Met betrekking tot dit onderwerp bestaat er immers een brede politieke consensus. Niemand wil op dit beleidsterrein partijpolitiek bedrijven. Daar komt bij dat alle partijen de uitkeringen en pensioenen voor deze groep garanderen tot op de dag dat de laatste sterft.Ons systeem van wetten en voorzieningen voor oorlogsgetroffenen is uniek in de wereld. Ten derde ontstond een rare situatie omdat er op dit gebied in de Kamer zoveel goede mensen uit andere fracties zijn weggevallen. Zodoende werd ik in de loop der jaren de erkende woordvoerder voor oorlogsgetroffenen. Hoewel ik bij de rechtse fracties als een vuurrode jongen bekend sta, mag ik toch ook mede namens hen vaak in de Tweede Kamer het pleit bezorgen van de oorlogsgetroffenen. Dat vind ik eigenlijk een hele eervolle positie, het betekent dat je vertrouwd wordt.”

Samen waakzaam tegen fascisme

"Als je met dit soort zaken bezig bent, kom je veel in aanraking met de oorlogsgetroffenen zelf en hun verwanten. Ik krijg veel bezoek en brieven en soms kun je echt wat voor mensen betekenen. Zo hoorde ik van een politieman, die ik ontmoette op een bijeenkomst van Kinderen van Verzetsdeelnemers, dat het voormalig Kamp Amersfoort mensonterend was verwaarloosd. Kinderen speelden met crossfietsjes op de voormalige executieplaats. Mijn actie om hier iets tegen te doen werd door alle partijen gesteund. Nu wordt dit voormalig kamp gesubsidieerd en als één van de Nederlandse herinneringscentra door de overheid met respect behandeld. Zoals het hoort. Ze moeten bijvoorbeeld ook niet aan het voormalig Kamp Westerbork komen. Ik heb iets met dit herinneringscentrum. Als ik bezoek uit andere streken krijg dan ga ik wel eens met hen naar het Herinneringscentrum en naar het voormalig kampterrein met de steentjes en het doodlopende spoor. Het grijpt je iedere keer weer aan.Als samenleving moeten we de oorlogsgetroffenen en hun gedenkplaatsen blijven respecteren! Op dit beleidsterrein zie ik als politicus dus juist wel de mensen achter de dossiers. Ik krijg bijvoorbeeld geregeld bezoek van een joodse dame van boven de tachtig, die verschillende concentratiekampen heeft overleefd en mij blijft waarschuwen tegen fascistische ontwikkelingen in de maatschappij. Zij is helemaal geen lid van de Partij van de Arbeid, maar ze vertrouwt erop dat ik samen met haar waakzaam kan zijn tegen het fascisme, want dat ligt nog steeds op de loer, daar is ze van overtuigd. En dat doe ik graag, niet alleen uit respect voor haar maar ook omdat ik het in wezen met haar eens ben.

Leed is niet onder te verdelen

"Ik erger me wel eens aan de veronderstelde hiërarchie in leed. In kringen van oorlogsgetroffenen werd soms een rangorde aangebracht: ‘Eerst komt Onze Lieve Heer, vlak daarna Wilhelmina en het voormalig verzet, dan komt er een hele tijd niets en daarna pas de vervolgden, dan weer een hele poos niets en helemaal onderaan in de hiërarchie komen de burgeroorlogsslachtoffers en de ex-dwangarbeiders. Daartussen bevinden zich degenen die de Jappenkampen doorstaan hebben. Leed ìs niet in categorieën onder te verdelen, is niet hiërarchisch uit te drukken. Voor ieder afzonderlijk is het eigen leed onvergelijkbaar met dat van anderen.”

Interview: Ellen Lock, PUR-cliëntenblad Aanspraak juni 2002.