Na de bevrijding wilde ik bij mijn onderduikouders blijven
Het onderduikverhaal van Ben Benninga.
‘Mijn naam is Ben Benninga. Ik ben geboren op 31 maart 1934 in een Joodse familie in Enschede. Mijn ouders, mijn zus Jetty en ik danken ons leven aan de heldhaftige, moedige verzetsdaden van mij destijds onbekende Nederlanders. Zij hebben ons gezin tijdens de Tweede Wereldoorlog met gevaar voor eigen leven gered. Ik praat zelden over deze achter ons liggende periode, tot mijn tachtigste zelfs niet met mijn kinderen. Nu ik bijna 92 jaar ben, vind ik het belangrijk dat ik er nog van kan getuigen. Daarom geef ik lezingen op basisscholen. Zodra ik daar mijn onderduikverhaal vertel, kun je een speld horen vallen.’
Op de vlucht
‘Mijn vader, Bram Benninga (1903), was vertegenwoordiger bij een Joodse textielgrossier in Amsterdam. Hij ontmoette mijn moeder, Klara Cohen (1905), via zijn werk. Zij was verkoopster in een stoffenzaak, waarvoor hij leverancier was. Ze zijn in 1929 getrouwd. Mijn zus Jetty werd geboren op 20 januari 1930. Na een aantal jaren wilde mijn vader zijn eigen zaak opbouwen. In 1938 begon hij aan de bouw van een vrijstaand huis aan de Varviksingel in Enschede, maar de bouwkosten vielen duurder uit. Hij vroeg zijn vader, een kleine bakker, om hulp. Geld had mijn grootvader niet, wel enkele gouden dukaten, die hij aan mijn vader leende. Na de Kristallnacht op 9 november 1938 kwam mijn moeders Joodse familie Hagendorn op de vlucht uit nazi-Duitsland naar Nederland. Ze logeerden bij ons voordat zij naar Amerika emigreerden. Ze vertelden ons over de Jodenvervolging in Duitsland. Mijn ouders overwogen toen ook even om te emigreren, maar konden dit niet doen vanwege de dure bouw van ons nieuwe huis.
Toen op 10 mei 1940 de oorlog met Duitsland begon, waren mijn zus Jetty 10 en ik 6 jaar oud. Een dag eerder waren mijn ouders met hun beste vrienden teruggekomen uit Zuid-Frankrijk. Zij hadden een dochter en een zoon van onze leeftijd. Zijn vriend Louis stelde mijn vader voor: “Bram, wij hebben een aanbod gekregen om naar Zwitserland te vluchten. Aangezien we alles samendoen, zou ik willen dat jullie met ons meegaan. Het kost veel geld, 5.000 gulden per persoon.” Mijn vader overlegde met mijn moeder en die adviseerde: “Daar hebben we het geld niet voor en je moet je vader nog terugbetalen voor het huis.” Dus mijn vader antwoordde: “Louis, dit is onze geldsituatie, dus jullie moeten maar vertrekken zonder ons!” Het leven hangt soms van toevalligheden aan elkaar. Na de oorlog hoorden we namelijk dat hun contactpersoon hen bij de Zwitserse grens had overgeleverd aan de Duitsers. In juni 1943 zijn de moeder en hun kinderen vergast in Auschwitz en de vader in juli 1944.’
De razzia van Twente
‘In de zomer van 1941 pleegde het verzet in Enschede en omgeving sabotage, zoals het doorsnijden van militaire telefoonkabels van de Duitse inlichtingendienst. De Duitsers gaven de daders 14 dagen de tijd om zich te melden. Daar gaf niemand gehoor aan. Daarop volgden represailles. Op 13, 14 en 15 september 1941 vond er in Twente een razzia plaats. In Enschede en omgeving werden 105 Joodse mannen opgepakt. Op 16 september werden allen naar concentratiekamp Mauthausen in Oostenrijk gedeporteerd. Niet één overleefde deze hel. Het was de derde grote razzia in Nederland, na de razzia’s in Amsterdam van februari en juni 1941. Toen tijdens deze Twentse razzia ‘s nachts in onze straat mensen werden opgepakt, kreeg mijn vader een telefoontje van een buurman: “Wegwezen, want over enkele minuten komen ze met overvalwagens aan de deur!” Vader vertrok snel op de fiets. Enkele minuten later bonkten ze met geweerkolven op onze voordeur. Eén van de Duitse officieren rende de trap op en onderzocht het huis. Hij zag het beslapen tweepersoonsbed en vroeg mijn moeder: “Waar is hij?” Ze antwoordde: “Mijn man is in Frankrijk voor zaken en mijn dochter sliep hier, want die voelde zich niet lekker.” We wisten zes weken lang niet waar mijn vader was.’
We gaan een tijdje uit elkaar
‘Na deze Duitse inval besloot onze Joodse familie van moeders kant onder te duiken. Omdat wij allen al vroeg onderdoken, overleefde mijn moeders familie zonder verlies aan mensenlevens. We kwamen als familie bij elkaar en het lokale verzet werd gevraagd ons te helpen. Deze verzetsmensen deden dit vrijwillig met gevaar voor eigen leven en zij wilden er geen geld voor hebben. De volgende maanden zorgden zij voor onze onderduikadressen, identiteitskaarten met valse namen en rantsoenbonnen.
Op 9 februari 1942 begon de nachtmerrie op mijn grootvaders verjaardag om 8 uur ’s avonds. Plotseling zei mijn vader: “Er gaat iets heel naars gebeuren voor ons allen. Over een paar minuten zullen Jetty (mijn zus), Joop (mijn neef) en Ben opgehaald worden door Klaas de Rook. Deze verzetsman was de dirigent van het Twents Philharmonisch Orkest en een vurig communist. Mijn vader vertelde: “We gaan een tijdje uit elkaar. Het is beter dat we elkaars nieuwe adressen niet weten, zodat als één van ons wordt gepakt, we elkaar niet kunnen verraden.” Ik herinner me niet hoe we afscheid van mijn ouders namen. Een paar minuten later kwam Klaas. Wij vertrokken, mijn zus Jetty was 12 jaar oud, mijn neef Joop 9 jaar en ik 7 jaar. Jetty en Joop elk op een eigen fiets en ik als jongste achterop bij Klaas. We sliepen die nacht tot 3 uur en fietsten daarna 70 kilometer naar een onbekende schuilplaats. Vanaf dat moment was mijn naam Ben Bakker en mijn ouders waren omgekomen bij het bombardement op Rotterdam.’
Afscheid van mijn zus en neef
‘We kwamen terecht bij dominee Buenk en zijn vrouw in Veessen, een dorp in Gelderland met zo’n 750 inwoners. Op 30 meter van het oude parochiehuis waarin zij woonden, stond de kerk naast de begraafplaats. Mijn zus, die blond haar had, en mijn neef mochten naar school. Ik had met mijn gitzwarte haren een Joodse uitstraling en moest thuisblijven. Aan de voorkant van het parochiehuis was een kleine groentetuin omgeven door een hoge heg. Een uur per dag mocht ik achter die heg de vriendelijke tuinman helpen met het planten van bonen en aardbeien. Na één week werd mijn zus ondergebracht in Zwolle, bij de twee ongetrouwde zussen Klaver en mijn neef ging naar het dorp Vorchten, 5 kilometer verderop, bij dominee Frederikse. We namen afscheid en zagen elkaar pas weer na 3 jaar en 2 maanden.’
Als er gevaar dreigde, had ik drie schuilplaatsen
‘Dominee Buenk was een lieve man. Hij zette zich altijd in voor de ander in zijn kerkgemeenschap in Veessen. Hij zat diep in het verzet en redde vele mensen waaronder Joden, Engelse parachutisten en verzetsmensen. Van zijn vrouw kreeg ik minder goed hoogte. De domineesvrouw had een druk sociaal leven. Het dorp Veessen ligt aan de IJssel en over de rivierdijken reden vaak Duitse tanks en trucks met materieel. Als er gevaar dreigde of bezoek langskwam, had ik drie schuilplaatsen: in een kleine keukenkast, in de kledingkast van de domineesvrouw achter lange jurken en schoenen of soms in een open graf op het kerkhof. Nog krijg ik koude rillingen bij de gedachte daaraan. Terwijl de dominee op zijn werkkamer zijn preken voorbereidde, had zijn vrouw vele verschillende mensen over de vloer. Ik vreesde dat ik daardoor ontdekt en verraden zou worden. Op een mooie zomerse dag moest ik bijvoorbeeld met haar en een vriend mee naar de IJssel. Ik kon niet zwemmen, maar ik moest op de rug van die vriend mee de IJssel in, gillend van angst. Mijn ouders vernamen via onze contactpersoon dat ik het daar niet fijn had. Ze vroegen het verzet voor mij een andere onderduikplek te vinden.’
Het meisje heeft mijn leven gered
‘In november 1942 werd ik enkele weken ondergebracht bij de familie Hartgers in Haarlem. Oom Gerrit Hartgers was tramconducteur en zijn vrouw Minie was onderwijzeres. Als zij weg waren, moest ik binnenblijven. Ter afleiding kreeg ik van hen een hondje om mee te spelen. Tegen kerst 1942 ging mijn hondje dood. Ik begroef het in de tuin achter het huis. Plotseling ging het raam van buren op de tweede verdieping open en een 12-jarig meisje waarschuwde mij: “Pssst… jongetje, mijn vader is NSB’er, morgen worden er razzia’s gehouden en ik hoorde dat hij ook over jou sprak!” Het raam ging dicht. Dit meisje heeft mijn leven gered.
Om half 6 die avond kwam Oom Gerrit thuis. Ik vertelde hem wat het meisje had gezegd en een uur later zaten we op de fiets, ik achterop. We fietsten van Haarlem naar Zwolle, een afstand van zo’n 130 kilometer, waar we diezelfde nacht nog aankwamen. Daar verbleef ik twee nachten bij Oom Jan Klaver, de broer van de twee ongetrouwde zussen, waar mijn zus was ondergedoken.’
De herinneringen aan mijn ouders verdwenen
‘Vanaf 1943 kwam ik bij de boerenfamilie Oostendorp in Villa Annie in Schoonheeten, bij Raalte. Hun zoon Dirk was 4 jaar ouder dan ik. Ze beschermden mij meer dan hun eigen zoon uit vrees dat mij iets zou overkomen. Mijn leven werd diep beïnvloed door deze dappere mensen, die hun leven riskeerden voor mij. In de eerste week brachten ze me naar school, maar het schoolhoofd bleek een NSB’er te zijn. Dus voortaan werkte ik mee op de boerderij. ’s Nachts stond ik om 4 uur op om samen met Tante Stiene en Oom Jan de koeien te melken en de paarden, varkens en kippen te voeren. Voor en na de maaltijd werd er gebeden en uit het Oude Testament gelezen. Nooit hebben ze mij hun geloof opgedrongen, want ik nam hun gewoontes graag over. Iedere zaterdagmorgen kleurde Tante Stiene mijn zwarte haar rood met een tandenborstel met waterstofperoxide. Ik had het zo fijn bij Tante Stiene en Oom Jan Oostendorp, dat de herinneringen aan mijn ouders verdwenen.’
Heimwee
‘Het gevaar was nog niet geweken. Naast ons woonde de boerenfamilie Ten Broeke. Hun schoonzoon wilde mij verraden voor het zogeheten ‘kopgeld’ dat de Duitsers betaalden voor iedere opgepakte Jood: 7,50 gulden. Als hij mij zou verraden, pakten de Duitsers ook de onderduikverleners, Stiene en Jan Oostendorp, op. Daarover kreeg het echtpaar Ten Broeke ruzie met de schoonzoon. Voor mijn veiligheid bracht Oom Jan mij naar een dominee in Apeldoorn. Deze dominee gaf me ’s avonds een lift naar een busstation en hij zei tegen de buschauffeur: “Na 2 uur rijden zet je de jongeman af bij de eerste dorpshalte. Daar haalt een grote man met een zwarte bolhoed en lange jas hem op.” Toen ik uitstapte, gaf die man mij zwijgend een hand en we liepen over de heide naar zijn kleine huis met een rieten dak. Hij bracht me naar boven, naar een kleine kamer, waar ik drie weken huilde van heimwee naar Tante Stiene en Oom Jan. Nadat de ruzie tussen de familie Ten Broeke en de schoonzoon was gesust, verbleef ik de rest van de twee jaar en acht maanden bij mijn meest geliefde onderduikfamilie.’
Er dreigde gevaar voor iedereen
‘Niet ver van de boerderij plaatsten de Duitsers in een bos een V1-platform, waarvandaan zij raketten richting Londen afschoten. Binnen een straal van enkele honderden meters moest iedereen het huis uit. Paarden en tractoren werden gevorderd en voedsel moest worden afgestaan. Omdat de Duitsers zo dicht bij onze achtertuin waren, dreigde er gevaar voor iedereen, maar des te meer voor mensen in de onderduik. Oom Jan nam voorzorgsmaatregelen voor mijn veiligheid. De weilanden waren gescheiden door diepe, smalle greppels. Hij bedekte enkele greppels met ijzeren golfplaten, waaronder ik me bij onraad moest verstoppen. Het gevaar kwam opeens midden in de nacht. Oom Jan hoorde de Duitsers aankomen. Hij nam me snel mee naar buiten en zond me richting de greppels. Ik verstopte me onder de golfplaten. Achter mij klonken geweerschoten. Daar bleef ik de hele nacht totdat Oom Jan mij ‘s morgensvroeg kwam halen.’
Mijn ouders konden niet wachten om mij te zien
‘Op 11 april 1945 werden we bevrijd in Raalte. De Canadezen reden langs ons huis in tanks met daarbovenop zittende Duitse gevangenen met vastgebonden handen op de rug. Mijn ouders zaten ondergedoken op een zolder in Boekelo op een kamertje van 2 bij 3 meter. Via een zolderluik kregen ze te eten en wisselden ze de toiletemmer. Zij konden niet naar buiten. Ze lazen er boeken en deden kaartspelletjes. Na ruim 3 jaar konden mijn ouders niet wachten om mij te zien. Na de bevrijding in Boekelo kwamen mijn ouders mij ophalen. Zij fietsten zo’n 60 kilometer, zelfs langs plaatsen waar nog gevochten werd, zoals op de Holterberg bij Nijverdal. Zij waren blij om me te zien, maar ze waren mentaal gebroken. Tijdens de oorlog had mijn moeder een galblaasoperatie ondergaan. Ze zag er bleek en zwak uit. Ik herkende mijn ouders niet en wilde niet met hen mee.
Ik wilde bij mijn oorlogsouders blijven, die lieve Oom Jan en Tante Stiene. Zij namen in tranen afscheid van mij, hun pleegzoon die zij jarenlang hadden beschermd. Zij hadden mijn leven gered. Ik herinnerde me alleen nog dat mijn vader kaal was, maar het duurde een jaar voordat ik aannam dat die vreemde vrouw werkelijk mijn moeder was. Ik was volledig bekeerd tot het protestantisme en ik bad een jaar lang met gevouwen handen en gesloten ogen voor en na de maaltijden. Mijn ouders lieten mij altijd mijn gang gaan, maar onze ouder-kindrelatie werd nooit meer zoals die had moeten zijn.’
Trouw gebleven
‘De oorlog had een enorme impact, zowel op onderduikers als op onderduikouders. Ik had een enorme schoolachterstand vanwege de onderduik. Uiteindelijk heb ik het bedrijf van mijn vader overgenomen. In 1959 ontmoette ik mijn eerste vrouw, Fien Warendorf. Zij had met haar familie Bergen-Belsen overleefd. Onze verledens waren door de oorlog zo verschillend en dat was moeilijk voor ons allebei. We kregen twee kinderen, Marc en Carina. In 1969 gingen we uit elkaar. Mijn tweede vrouw, Christel Eickeler (1941), ontmoette ik in 1972 via een bevriende inkoper op een feest na een stoffenbeurs in München. Ze was een Duitse mannequin en meteen geliefd bij mijn familie en vrienden. We kregen twee zonen, Bryan en David. Christel ging mee naar de onderduikouders, die ik trouw bleef bezoeken. Ze stimuleerde me zelfs om mij te verdiepen in het joodse geloof. Helaas overleed ze in 2024 na een val van de trap. Inmiddels heb ik 8 kleinkinderen en we hebben een hechte familieband.
Mijn onderduikbroer Dirk bezocht ik om de drie maanden, ook toen Tante Stiene en Oom Jan waren overleden. Op een dag zei hij tegen mij: “Ben, je hebt geen enkele verplichting tegenover mij.” Ik dacht daar anders over. Tranen vloeiden als we afscheid van elkaar namen. Het is onmogelijk om uitdrukking te geven aan mijn dankbaarheid voor diegenen die onze levens hebben gered, voor hun inspanning en moed.’
Interview: Ellen Lock, SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak Maart 2026.Andere verhalen over de oorlog
Wilt u nog meer verhalen over de oorlog lezen?