Alleen het landschap als getuige

Armando

Kunstenaar, schrijver en violist Armando (74) is nog iedere dag aan het werk. Hij zegt jaloers te zijn op mensen die rustig achter de geraniums kunnen zitten. Armando voelt altijd een dadendrang. Zijn oorlogsverleden inspireert hem tot het maken van kunst over de tragiek van de mens: ‘Waarom kiest de één voor het verzet en de ander voor de NSB? Waarom worden oorlogsmisdaden soms alleen door het landschap gadegeslagen? Hoe kunnen gewone mensen tot zulke gruweldaden overgaan?’ Die vragen houden hem bezig. Erover spreken kan hij niet, alleen in zijn kunst kan hij zich uiten over de oorlog.

Geen woord over de oorlog

Armando vertelt aanvankelijk enigszins stug en tegenstribbelend: “Ik heb veel meegemaakt in de oorlog, maar daar praat ik liever niet over. Mijn ervaringen zijn werkelijk niets vergeleken bij wat joodse mensen hebben meegemaakt. Ik wil mezelf niet op de borst kloppen, dat doen andere mensen maar! Ik veroordeel niemand, maar ik ben gewoon niet iemand die met zijn gevoelens te koop loopt. In mijn boek ‘De straat en het struikgewas’ schrijf ik over de oorlog vanuit een derde persoon, ik ben dus een ‘hij’. Ik kan er moeilijk over praten, ik heb het allemaal omgezet in kunst, in woorden van me afgeschreven en in beelden van me afgeschilderd. En voor de rest denk ik er niet aan. Of althans, dat probeer ik.”

Kamp Amersfoort

“Ik ben geboren op 19 september 1929 in Amsterdam. Tijdens de oorlog woonden wij in Amersfoort. Vanaf mijn vijfde jaar had ik vioolles. Ik was geen wonderkind, maar wist van jongs af aan dat ik kunstenaar wilde worden. De oorlog kwam niet onverwachts. Amersfoort was een garnizoensstad en dus tijdens de mobilisatie bevolkt met veel soldaten. Als er oorlog zou komen, zouden we daar zeker de dupe van zijn, dacht mijn vader. Er werd voor de oorlog al veel over Hitler-Duitsland gesproken. Mijn vader voerde talloze gesprekken met vrienden en familieleden over de politieke situatie. Een oom zei: ‘Voor een groot doel moet alles opzij gaan.’ Daar was mijn vader zeer op tegen en hij verbrak het contact. Ik was tien jaar toen de oorlog begon. Het was een zonnige dag met een strakblauwe hemel. Je kon de Duitse gevechtsvliegtuigen goed zien overvliegen en als kind vond ik het natuurlijk indrukwekkend om vliegtuigen te zien. Een paar dagen later werden we in een trein geëvacueerd naar Heerhugowaard. Daar zagen we de eerste Duitsers, zittend in een legervoertuig. De mensen bij ons in de trein zeiden: ‘Je kunt zeggen wat je wilt, maar ze zijn wel goed georganiseerd.’ Ze zagen er inderdaad mooi uit in hun strakke uniformen en beter dan de Nederlandse soldaten met hun putties. Na de algehele capitulatie op 14 mei 1940 reden we met de trein terug naar Amersfoort en zagen we Duitse bouwvakkers met ontbloot bovenlijf aan het werk. In de trein hoorde ik mensen zeggen: ‘Die zien er goed uit.’ Ik vond het maar vreemd dat de vijand zoveel lof kreeg. Voor ons veranderde er in het begin van de oorlog weinig. Je ging gewoon naar school. Nieuwsgierig als ik was snuffelde ik overal in de omgeving van de Duitsers rond. Ik liep langs hun kazerne en heb alle trainingstechnieken gezien. Ik observeerde alles en daarom kende ik al hun volksliederen. Gek genoeg zongen ze nooit nazi-liederen, die hoorde je alleen op de radio. Vanaf 1941 werd het doorgangskamp Amersfoort in een rap tempo omheind, ingericht en bevolkt met gevangenen. Iedere dag zag ik rijen gevangenen door bewakers omringd op de Kapelweg richting kamp Amersfoort lopen of richting het station om naar Duitsland te worden afgevoerd.”

Armando.

Onderduikers

“Op mijn zwemclub zaten jongens die zich niet gemeld hadden voor Duitsland. Ze hadden al enige tijd in het kamp gezeten, maar werden wegens ziekte vrijgelaten en toen hebben ze een jaar bij ons ondergedoken gezeten. Dus ik wist veel over het kamp. We hoefden niet meer naar school, maar ik was niet iemand die thuisbleef. De kampbewakers woonden bij ons in de straat. Je speelde niet met NSB-kinderen, je zweeg ze dood. Die NSB-kinderen zochten elkaar op om te spelen. Joodse vrienden op school moesten onderduiken. Velen werden toch  gepakt en gedeporteerd. Nooit heb ik meer iets van ze gehoord, want ze zijn allemaal omgekomen.”

Klein verzet

“Alles was verduisterd. Dat kun je je tegenwoordig niet meer voorstellen, maar ‘s nachts was er nergens licht. Je kon elkaar op de fiets rakelings voorbijschieten. Dit was een verordening van de bezetter, zodat de Engelse piloten geen idee hadden waar ze zaten boven Nederland. Mijn vader had aan het begin van de oorlog een radio gekocht, maar de joodse radiohandelaar kwam hem smeken de radio in te leveren, anders zou dat grote gevolgen voor hem kunnen hebben. Alle radio’s werden door de bezetter ingenomen. Mijn vader liet de radio voordat hij hem teruggaf expres een paar keer vallen, zodat de vijand er niets aan had. Veel mensen deden dat, een kleine vorm van verzet. Tijdens de hongerwinter ging mijn vader vaak op hongertocht en kwam dan met kleine hoeveelheden voedsel terug. We leefden bij de dag. Later, na de oorlog, zei mijn moeder dat ze het zo erg had gevonden om ons nee te moeten verkopen. Ik vond het heel normaal dat we dagen niets aten en ik zeurde er ook niet over. Ik hakte in de bossen illegaal bomen voor brandstof om. Maar het was streng verboden om bomen te kappen. Er stond een fikse straf op. Ik ben één keer gesnapt tijdens het hout halen.”

Schuldig landschap

“Twee keer was ik getuige van een verschrikkelijke moord. Een Oostenrijkse soldaat, een deserteur, was ontsnapt uit het kamp en vroeg mij de weg toen ik over de zandweg langs het kamp liep. De Duitsers renden hem achterna en hij dook in een struik om weg te komen. De Duitse bewakers doorzeefden de struik en de man overleefde de kogelregen niet. Datzelfde heb ik nogmaals meegemaakt met een andere ontsnapte gevangene, die op dezelfde wijze voor mijn ogen werd afgeslacht. Je dacht in de oorlog altijd: ‘Hij liever dan ik.’ Maar hoeveel keren waren er géén getuigen van de meest gruwelijke moorden in de bossen? In die bossen hoorde ik altijd wel iemand schieten in de verte. Je zag niets. Alleen het landschap aanschouwde de gruwelijkheden.”

Het waren uniformen

“Op een dag stonden ze voor onze deur. De onderduikers waren verraden. Ik deed de deur open en moest mijn persoonsbewijs laten zien. Mijn vader kwam aanlopen en is meteen in de menigte toeschouwers gaan staan. Hij had de verkeerde leeftijd: Hij was 49 en zou anders ook worden opgepakt omdat hij zich niet had aangemeld voor de Arbeidsdienst. Mijn moeder was doldriftig toen de onderduikers werden gepakt in ons huis. Zij had die Duitsers het liefst de ogen uitgekrabd. Waar zijn die kerels nu? Dat vraag ik me wel eens af. Als je foto’s ziet van de rijen mensen die naar Westerbork werden afgevoerd, dan zie je de bewakers ernaast lopen. Die bewakers hadden geen gezichten in je herinnering, het waren slechts uniformen, schaduwen van de tijd. Tot lang na de oorlog bleef ik me afvragen wat er met die bewakers is gebeurd, zouden die nog leven en hoe denken zij aan die tijd terug? Zo zijn ook mijn boeken, waarin ik Duitsers interview over hun oorlogsverleden, ontstaan.”

Ze schreeuwden niet meer

“Na de oorlog was ik 15 jaar, maar mensen dachten dat ik 31 was: Je wordt sneller ouder door de oorlog. Door de oorlog ben ik geïnteresseerd geraakt in de tragiek van de mens. Ik versta hieronder dat de mens zich op een onvoorspelbare manier gaat  gedragen onder veranderde omstandigheden. Waarom gaat bijvoorbeeld de één in het verzet en de ander bij de NSB? Die vraag blijft mij interesseren. Vlak na de oorlog liftte ik naar Duitsland, omdat ik ze wilde zien in burger. Ik stond voor een raadsel: hoe hadden mensen zich in de oorlog zo afschuwelijk kunnen gedragen? Als je in de oorlog Duitsers zag, ook al stonden ze heel dicht bij elkaar, dan schreeuwden ze nog. Vol verbazing zag ik na de oorlog in Duitsland dat het gewone mensen waren, net als wij. Ze konden ook rustig met elkaar praten zonder te schreeuwen.”

Veranderde verhoudingen

“Na de oorlog heb ik van anderen begrepen dat mijn vader veel voor het verzet heeft gedaan, maar daar hebben we nooit over gesproken. Eén gezin in mijn familie was de SS toegedaan. Een neef van mij is gesneuveld bij de SS aan het Russische front. Na de oorlog zei die oom: ‘Ik had me nooit met politiek moeten bemoeien.’ Ik vond dat maar een zwaktebod: ondertussen was zijn zoon wel gesneuveld door zijn foute sympathieën. Wat mij vaak bezighoudt is: je zal maar de pech hebben gehad dat je 2 kilometer van Nederland over de grens in Duitsland bent geboren, wat had je dan allemaal gedaan? Dit soort overwegingen kon je je in de oorlog niet veroorloven. We hoorden iedere nacht Engelse eskaders naar Duitsland vliegen en wij vonden dat heerlijk. ‘Laat ze maar gaan, hoe meer hoe beter!’, dachten we toen. Alle verhoudingen tussen mensen veranderden door de oorlog. Je kon nooit weten of je een vriend of vijand voor je had. Vriendschappen waren heel belangrijk omdat je een gemeenschappelijke vijand had en die was er na de oorlog niet meer. Mensen vonden het zelfs jammer dat die hechte vriendschappen na de oorlog verdwenen. In de oorlog kwamen er mensen bij ons achterom als grote vrienden aardappels brengen. Na de oorlog werden de verhoudingen weer afstandelijker en belden deze mensen weer bij de voordeur aan.”

Bevrijding

“Onze buurman luisterde naar de Engelse zender en stopte briefjes bij ons in de brievenbus met de steden die al door de Canadezen waren bevrijd. Mijn vader hield de opmars van onze bevrijders bij op een landkaart. Soms hoorde je ze in de verte schieten. Het was begin mei en schitterend weer toen de Canadezen Amersfoort binnenreden. De eerste Canadees die ik tegenkwam, zat op een dak en legde telefoondraden aan. Iedereen wilde zijn handtekening hebben, ik heb zijn krabbel nog lang bewaard. Tijdens de bevrijdingsfeesten trad ik met mijn viool in jazz- en zigeunerorkesten op voor de Canadezen in kroegen waar jongeren niet mochten komen. We speelden de hele nacht door in ruil voor eten, drank en sigaretten.”

Herdenken

“Herdenken? Ik denk wel veel aan de oorlog, maar ik ben me er ook van bewust dat het helemaal niet meer leeft. Het leeft bij mij en bij enkele anderen, die het zich ook nog herinneren. Ik zie het nut niet van herdenken voor mensen die het niet hebben meegemaakt. Voor mij is de 10e mei bijvoorbeeld belangrijker dan de 4e en 5e mei. Op de 10e mei vielen de Duitsers ons land binnen, dat vergeet je nooit meer! De kunst van het vergeten is ook belangrijk. Het zou zo prettig zijn als je zelf zou mogen kiezen wat je mag vergeten! Voor mij is vergeten een kunst, daar zet ik me hard voor in.”

Interview: Ellen Lock, PUR-cliëntenblad Aanspraak, Juni 2005.