Mijn moeder was mijn beschermengel in het kamp
Anneke Schults-Pols was drieënhalf jaar kampkind in Kareës en Tjideng.
Anneke Schults-Pols (87) geeft gastlessen op scholen over haar Indische oorlogsverleden. ‘Het valt me op dat leerlingen zo weinig weten over onze Indische oorlogsgeschiedenis. Daarom blijf ik er graag jonge mensen over vertellen.
Eind februari 1941, toen de Japanse aanval op Java begon, was mijn vader als KNIL-militair gelegerd in Bandoeng. Direct na de capitulatie van Nederlands-Indië op 8 maart 1942 werd hij gevangengenomen door de Japanners. Eind november 1942 werden mijn moeder en ik door Japanse soldaten opgepakt en naar het vrouwenkamp Kareës gebracht.
Later volgde ons vertrek naar het vrouwenkamp Tjideng in Batavia. Vanaf april 1944 kwam er een wrede kampcommandant, Kenichi Sonei. In dit overvolle kamp stierven vele gevangenen van uitputting, honger en door geweld. Aan het eind van de oorlog waren mijn moeder en ik ernstig vermagerd en ziek. De honger in Tjideng was voor ons het ergst en om die te stillen aten we zelfs slakken, kikkers en boombladeren.’
In mijn hart voel ik mij Indisch
‘Mijn beide ouders waren ‘totoks’, zo noemen ze in het Maleis mensen van Europese afkomst die in Nederlands-Indië woonden. Ik ben ook een totok, maar in mijn hart voel ik mij Indisch. Mijn vader Jozefus Pols was geboren in 1899 in Waspik. Hij had veel belangstelling voor schepen en voer op zijn twaalfde al mee op zijn tantes rijnaak. Na de Eerste Wereldoorlog is hij als KNIL-militair naar Nederlands-Indië gegaan. Hij was gelegerd in de garnizoensstad Tjimahi op Java, waar hij als hoefsmid bij de cavalerie werkte.
Tijdens zijn verlof in Nederland ontmoette hij in een lunchroom in Eindhoven een leuke vrouw, Virginia Kouijzer. Zij was geboren in 1906 in Steenbergen. Op 7 mei 1937 trouwden ze in de katholieke kerk in Tilburg. Hij nam mijn moeder mee naar Java, waar ze in Bandoeng gingen wonen. Op 31 januari 1938 werd Prinses Beatrix geboren op Paleis Soestdijk in Baarn. Mijn vaders cavalerieregiment bracht dit goede nieuws als herauten te paard tot in de wijde omgeving. Op 19 maart 1939 werd ik in Bandoeng geboren en ik bleef enig kind. Mijn moeder zorgde graag voor mij en liet dit niet aan een baboe over. Ons Javaanse huispersoneel bestond uit een kokkin, een naaister en een tuinman. Ik werd katholiek gedoopt. We woonden in een mooi vrijstaand huis met een grote tuin, waarin ik vaak speelde met onze herdershond.’
Het afscheid van vader
‘Toen op 10 mei 1940 Duitsland Nederland binnenviel, waren mijn ouders bezorgd om hun familie en blij dat zij nog in vrijheid leefden. Japan had een tekort aan grondstoffen voor de eigen industrie en aasde op de olievoorraden in de omliggende landen. Nadat Japan op 7 december 1941 de Amerikaanse marinebasis Pearl Harbor aanviel, verklaarde de Nederlandse regering in ballingschap vanuit Londen op 8 december Japan de oorlog. Op 8 maart 1942 capituleerde Nederlands-Indië. Mijn vader en zijn collega’s werden krijgsgevangen gemaakt. Toen het gerucht ging dat ze zouden vertrekken, wilde mijn moeder hem nog één keer zien. Ze nam mij bij de hand en we liepen een woonhuis binnen aan de rand van het Japanse krijgsgevangenenkamp. Moeder ging met mij op de arm op de wc-pot staan om vanuit het toiletraam vader achter het prikkeldraad te zien. Bij het afscheid van vader was ze erg verdrietig. Daarna wisten we niet waar hij was en hoorden we 4 jaar niets meer van hem.’
Niet alle Japanners zijn slecht
‘Mijn moeder en ik bleven alleen in ons huis in Bandoeng achter. Op een dag werden moeder en ik tegelijk met alle Europese vrouwen en kinderen uit onze wijk door Japanse vrachtwagens opgehaald. Ik mocht alleen mijn rieten poppenwagen meenemen, waarin mijn moeder nog snel onze fotoalbums verstopte. Gelukkig zijn die fotoalbums bewaard gebleven. Ze brachten ons naar het kamp Kareës in de gelijknamige woonwijk in Bandoeng. Deze woonwijk was ommuurd met het zogenoemde ‘gedek’ ofwel een gevlochten bamboe omheining met prikkeldraad. Japanse soldaten bewaakten de toegangspoort en we mochten het kamp niet meer uit.
In kamp Kareës moesten alle vrouwen en kinderen meerdere keren per dag op het plein op appèl komen. We moesten in de rij gaan staan om geteld te worden. De Japanners raakten vaak de tel kwijt en dan begonnen ze weer opnieuw. Wij moesten diep buigen, tellen en groeten in het Japans. Mijn moeder deed me voor hoe ik heel diep moest buigen voor iedere Japanner. Als je als kind niet diep genoeg boog, werd je moeder hard geslagen. Dus je liet het wel uit je hoofd om ongehoorzaam te zijn. Mijn moeder leerde me om Japanners niet te haten. Ze zei: “Niet alle Japanners zijn slecht, ze hebben zelf ook kinderen in Japan, die zij missen. De meeste Japanners volgen enkel bevelen op.”’
Moeder en ik sliepen op de galerij
‘Op een dag moesten alle vrouwen en kinderen opeens snel vertrekken uit Kareës. De Japanse soldaten propten ons als beesten bij elkaar in een overvolle, geblindeerde goederentrein. In het vrouwenkamp Tjideng in Batavia aangekomen, kregen mijn moeder en ik een bed toegewezen op een galerij van een woonhuis. Er hing een gordijn ter afscheiding. Dit was een ideale slaapplek vergeleken met de kleine slaapplekken in het woonhuis, soms met twintig personen in een kleine kamer. Ik herinner me dat ik er altijd op blote voeten liep. Alle moeders en grote kinderen moesten onder streng toezicht van de Japanse soldaten corveetaken uitvoeren. Mijn moeder werkte in de gaarkeuken. Ze smokkelde soms stukjes gebakken spek voor mij mee in een klein wybertjesdoosje. Dat was een bijzondere lekkernij. Ik speelde met andere kampkinderen een bikkelspel, dat ik nog heb bewaard in een oude sok.’
De maanzieke kampcommandant Sonei
‘In april 1944 kwam er in Tjideng een wrede kampcommandant, Kenichi Sonei. Zijn gedrag was onvoorspelbaar. ’s Nachts, als we bij volle maan op appèl stonden, had hij vaak akelige driftbuien die hij afreageerde op de vrouwen. Als hij zo ‘maanziek’ ofwel krankzinnig was, sloeg hij hen hard met zijn stok of hij liet de vrouwen voor straf kaalscheren. De volgende dag moesten ze langdurig met een kaalgeschoren hoofd op het plein in de brandende zon staan. Ook liet hij de vrouwen ernstig mishandelen door zijn soldaten en daar moesten we tijdens het appèl gedwongen naar kijken. In het kamp hield hij grote apen in een kooi. Hij had er plezier in om de gevangenen angst aan te jagen met zijn opgehitste grommende apen of herdershonden die hij losliet. Het was heel akelig om te zien hoe slecht hij mens en dier behandelde.’
De honger was het ergst
‘In Tjideng kregen we steeds minder te eten. Het was elke ochtend een korst brood, stijfselpap, ‘s middags twee eetlepels rijst en ’s avonds waterige koolsoep. Ook al werkte mijn moeder in de gaarkeuken, toch was het streng verboden om eten mee te nemen. Als kind moest ik dus altijd op zoek naar eten voor ons. Zo ving ik slakken en kikkers en die kookte mijn moeder. En we aten gekookte boombladeren, die naar spinazie smaakten. Ze ruilde stiekem haar sieraden voor eten over de bamboe kampomheining met de omwonende Javanen. Hier stonden strenge straffen op. Tijdens het appèl doorzochten de Japanse kampbewakers alle bagage van de vrouwen op kostbaarheden en namen die in beslag. Zo werd de ruilhandel aan banden gelegd.
Het laatste jaar overleden er veel kampgenoten aan ziekte, uitputting of van de honger. En er was een groot gebrek aan medische zorg. De doden werden in een matje gewikkeld en aan de straatkant gelegd. En een vrachtwagen haalde ze op. Bij de bevrijding was ik 7 jaar en woog ik nog maar 14 kilo. De honger was het ergst. Sindsdien kan ik geen kruimel brood meer weggooien.’
De Japanse vijanden werden onze beschermers
‘Van de Japanse overgave op 15 augustus 1945 merkten wij op dat moment in het kamp niets. Pas op 23 augustus 1945 vertelde het Hollandse kamphoofd in Tjideng dat we vrij waren, maar dat we het kamp nog niet mochten verlaten. De vrouwen zongen met tranen in de ogen het Wilhelmus. De Japanse keizer beval zijn soldaten om alle Europeanen te beschermen tegen de Indonesische vrijheidsstrijders. Onze voormalige vijanden, de Japanners, waren nu onze beschermers tegen de aanvallen van de Indonesische vrijheidsstrijders, die de Europeanen en Indo-Europeanen wilden verdrijven.
Al gauw kwamen de Brits-Indische soldaten om ons met de Japanners samen te beschermen en om ons veilig te evacueren. Na de bevrijding van Tjideng maakte een fotograaf foto’s van mijn moeder en mij samen op de galerij met onze buurvrouw en haar kinderen. Ik vraag me wel eens af of het jongetje van de foto nog in leven is. Die foto’s van de bevrijding van ons kamp hebben toen in internationale kranten gestaan.’
Ik herkende mijn vader niet
‘Iedere avond voor het slapengaan haalde mijn moeder een foto van mijn knappe vader in zijn witte legerkostuum uit mijn koffer tevoorschijn. En dan vertelde ze een verhaal over hem. Mijn moeder hoopte vurig dat hij nog leefde. Na de bevrijding vond hij ons in kamp Tjideng dankzij een kampnamenlijst van een hulporganisatie. Ik herkende mijn vader niet. Hij droeg oude kleren en was broodmager.
Naar mijn idee leek hij absoluut niet op zijn foto uit mijn koffer. Het duurde even voordat ik aan hem was gewend. Mijn vader vertelde ons dat hij door de Japanners naar Singapore was verscheept met vele andere krijgsgevangenen. Ze werden op Sumatra aan de Pakan Baroe-spoorlijn tewerkgesteld. Talloze Indische en Europese dwangarbeiders stierven daar van de hitte, de ondervoeding, de malaria en het zware werk. Hij had het ternauwernood overleefd.’
Bij aankomst in Nederland lag er een dik pak sneeuw
‘Eind 1945 vertrok ons gezin met het schip Fair Sea van Batavia naar Nederland. In Egypte gingen we van boord in Ataka, een dorpje aan het Suezkanaal. Daar kregen we als Nederlandse repatrianten uit de kampen winterkleding uitgereikt door een hulporganisatie. Ik kreeg een lichtblauw tweedjasje met een bijpassende baret. Nederland lag onder een dik pak sneeuw toen we een maand later aankwamen in de haven van Rotterdam. We mochten bij vaders moeder en zijn twee ongetrouwde oudere zussen logeren in een kleine bovenwoning in Utrecht. Mijn vaders zussen konden niet wennen aan een druk kind in huis.
Niemand in Nederland droeg na de oorlog zo’n deftig jasje met een baret, dus ik werd hiermee door andere kinderen gepest. Om de moed erin te houden zei mijn moeder steeds: “We mogen blij zijn dat we hier mogen zijn!” Na twee maanden moest vader voor zijn werk terug naar Bandoeng. Mijn moeder wilde toen ook meteen weg bij haar schoonfamilie. Deze drie oudere dames zaten niet te wachten op drie extra eters in huis. In Nederland hadden ze net de Hongerwinter achter de rug en was alles nog op de bon. Onze opvang was niet zo prettig als we ons hadden voorgesteld. Wij zijn daarna nog opgevangen door andere familie.’
Je mag niet naar buiten kijken!
‘In mei 1946 zijn mijn moeder en ik naar Nederlands-Indië teruggegaan, naar Bandoeng waar mijn vader was gelegerd. We kregen er een woning aan de Papandajanlaan. Ook hier was alles anders dan verwacht, want als Nederlanders waren we niet meer geliefd. We zijn samen met vader nog eens gaan kijken in ons oude leeggeroofde huis. Alleen vaders zelf gesmede asbak in de vorm van een hoefijzer stond nog in de vensterbank. In ons huis had de Kempeitai, de Japanse geheime dienst, gezeten tijdens de oorlog. “Als die asbak toch eens kon praten,” zeg ik altijd tegen de leerlingen in mijn gastlessen. Vanaf september 1946 ging ik naar de lagere school van de zusters Ursulinen, de Angelaschool, naast het politiebureau in Bandoeng. Begin 1950, toen ik in de vierde klas zat, vonden er plotseling hevige beschietingen in deze buurt plaats. Alle kinderen moesten op de grond gaan liggen. Na enige tijd hoorden we geen schoten meer. Nog diezelfde dag werden we van school opgehaald en met een legertruck naar huis gebracht. Onze chauffeur zei meteen: “Ga op de vloer van de wagen liggen en je mag niet naar buiten kijken!” Stiekem keek ik toch naar buiten. Achteraf had ik daar spijt van, want toen zag ik dat de weg was bezaaid met dode lichamen.
In 1950 keerden we met het schip Johan van Oldenbarnevelt voorgoed terug naar Nederland. Mijn ouders hadden gespaard voor een huis, maar het Indonesische geld was door de devaluatie niets meer waard. Het was de tweede keer dat we alles verloren, net als in 1942. Als ik nu vluchtelingen op de televisie zie, dan denk ik: zo waren wij ook, berooid en op weg naar een nieuw leven elders.’
Opnieuw beginnen
‘In Nederland moesten we opnieuw beginnen. We woonden een half jaar in een opvangcentrum in Vierlingsbeek totdat wij een noodwoning kregen in Den Bosch. Ik ging er naar klas vier en vijf. Ik schaamde me voor onze noodwoning en durfde geen vriendin mee naar huis te nemen. Na twee jaar kreeg vader een huurwoning en een baan bij het gemeentelijk zwembad. Hij had veel nachtmerries over de oorlog. Ik vond mijn vader te streng en overbezorgd. Ik deed de mulo in drie jaar en daarna de tweejarige kleuterleidsteropleiding.
Tijdens mijn eerste schoolbaan ontmoette ik een leuke onderwijzer, Theo Schults. Hij volgde de lerarenopleiding Duits. Op 23 juli 1964 zijn we getrouwd en gingen in Voorburg wonen, waar mijn man als docent aan de slag kon. In de avonduren studeerde ik pedagogiek in Utrecht. We kregen twee kinderen, Maarten in 1968 en Peter in 1970. In 1971 verhuisden we naar Den Bosch, waar ik pabo-docente pedagogiek werd en mijn man leraar Duits. Hier was ik 15 jaar voorzitter van de stichting Herdenking Oorlogsslachtoffers Nederlands-Indië. Met deze stichting hebben we een Indisch monument in ‘s-Hertogenbosch gerealiseerd. Jaarlijks kijk ik uit naar onze herdenking op 15 augustus en ook naar de Tjideng-reünie in Bronbeek.’
Mijn moeder en ik deelden lief en leed
‘Na het kamp hield mijn moeder een zwakke gezondheid. Ze kreeg leukemie en is daaraan overleden op 66-jarige leeftijd. Juist omdat wij samen zoveel lief en leed hadden meegemaakt in het kamp, waren we zo vergroeid met elkaar. Ik voel nog steeds een groot gemis, als ik aan haar denk. We hadden een gedeeld verleden en samen de kampen overleefd. Mijn moeder was mijn beschermengel in het kamp. Ik bewonderde haar kracht, doorzettingsvermogen en positiviteit. Zonder haar goede zorgen had ik het niet gered en was ik niet geworden wie ik ben.’
Interview: Ellen Lock, SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak Juni 2026.
Andere verhalen over de oorlog
Wilt u nog meer verhalen over de oorlog lezen?