Op zoek naar gerechtigheid

Rechter Anita Leeser-Gassan overleefde Bergen Belsen

Anita Leeser-Gassan
Anita Leeser-Gassan. Foto: Ellen Lock

Rechter Anita Leeser-Gassan (70) overleefde met haar moeder Bergen Belsen. Zij komt uit een bekende Amsterdamse diamantairsfamilie, maar koos voor het juridische vak. Zij was bijna dertig jaar rechter in Amsterdam en werd in 1983 vice-president. Van 1981 tot 2000 was zij kinderrechter. In september 2005 ging zij met pensioen. Anita Leeser-Gassan vertelt voor de lezers van Aanspraak haar oorlogsverhaal.

Oorlogsflarden

"Op 17 september 1935 ben ik, als enig kind, geboren in een joods gezin in Amsterdam. We leefden niet orthodox, maar wel bewust joods. Van huis uit kreeg ik mee dat iedere jood zijn eigen geloof heeft. En zo voel ik dat nog steeds. Bij het uitbreken van de oorlog in mei 1940 was ik vijf jaar. Ik herinner me slechts korte fragmenten, oorlogsflarden bestaande uit steeds dezelfde fotobeelden. Van het begin van de oorlog herinner ik me helder het luchtalarm waarbij we bij mijn grootouders in de Johannes Vermeerstraat onder aan de trap stonden met koperen pannen op ons hoofd. Kort daarop bracht een politieman ons met zijn auto naar IJmuiden om ons met de boot naar Engeland te laten vluchten. Wij konden niet meer mee en gingen terug naar Amsterdam. De politieman heeft toen zelfmoord gepleegd.”

Uitstel

“De Duitse oorlogsindustrie had in de oorlogsjaren een grote behoefte aan industriediamanten. In de zomer van 1942, toen de deportaties van Joden op grote schaal een aanvang namen, verzocht de Sicherheitspolizei om inlevering van diamanten in ruil voor een voorlopige vrijstelling van deportatie. Na deze oproep is mijn vader naar Zwitserland gevlucht. Mijn ouders zijn in 1942 gescheiden. Mijn vader vluchtte met de vrouwelijke partner van een bevriend stel. Mijn moeder kreeg een relatie met de achtergebleven partner en reeds goede vriend, Jacques Smit. Sindsdien had ik eigenlijk twee vaders en ik hield zielsveel van hen allebei. Mijn vader verloor in Zwitserland zijn vriendin uit het oog. Vanuit Zwitserland stuurde hij mijn moeder, mijn tweede vader en mij een Paraguayaans paspoort, dat ons misschien redding kon bieden. Om zo lang mogelijk veilig te blijven en voor uitstel van tewerkstelling in Duitsland te zorgen, werkten mijn moeder en mijn tweede vader bij het Bureau voor de Sterilisatie in het Centraal Israëlitisch Ziekenhuis. Hoe akelig de gedachte ook was, er werd nog wel goed werk gedaan voor gemengd-gehuwden, in die zin dat zelfs zwangere vrouwen een bewijs kregen dat ze niet vruchtbaar waren. Als je ‘formeel’ gesteriliseerd was, hoefde je de ster niet meer te dragen. In 1943 mochten we in het ziekenhuis wonen. Mijn moeder werkte op het secretariaat. Kinderen met wie ik in het ziekenhuis speelde zijn weggevoerd. Uiteindelijk was ook voor ons de situatie niet meer houdbaar en kon het hoofd van dienst ons niet meer beschermen. Vanaf dat moment, begin 1944, moesten mijn moeder, mijn tweede vader en ik onderduiken.

Anita Leeser-Gassan. Foto: Mark Kohn
Anita Leeser-Gassan. Foto: Mark Kohn

 

Een spion

“Ons eerste onderduikadres was in een pand dat eigendom was van mijn grootvader in de Van Baerlestraat, in een opslagruimte boven een schoenenwinkel. We werden verzorgd door mensen die mijn grootouders kenden. In februari 1944 werd het te onveilig en moesten we weg. We hebben op verschillende onderduikadressen gezeten. Eén adres staat me in het bijzonder bij. Een vriend van mijn tweede vader zat met zijn vrouw en haar moeder ondergedoken bij een familie in de Lomanstraat in Oud-Zuid. Tante Dicky en oom Henk hadden vijf kinderen plus deze drie onderduikers al in huis en namen ons er ook nog eens bij. Ongelofelijk dat ze dit hebben kunnen bolwerken! Na zes weken werden we met zijn zessen naar een pension gebracht, maar deze schuilplaats werd verraden. Tijdens een inval bij verzetsmensen werden brieven gevonden, waarin de schuilplaats werd genoemd en zo kwam de Sicherheitsdienst aan ons adres. Bij de huiszoeking stonden we met zijn zessen in een kast en werden door een Duitse soldaat ontdekt. Ik probeerde hem nog over te halen om ons niet mee te nemen: ‘Wilt u niet liever mijn pop hebben voor uw kinderen?’ We zijn naar het hoofdkantoor van de Sicherheitsdienst in de Euterpestraat gebracht. Mijn moeder, mijn tweede vader en ik werden in een cel beneden opgesloten. Er werd een man bij ons in de cel geplaatst, die allerlei vragen stelde: ‘Waar komen jullie vandaan?’ Ik zat bij mijn moeder op schoot en fluisterde in haar oor: ‘Niets zeggen hoor, dat is een spion!’ Later, na de oorlog, bleek het echt een spion te zijn geweest. Als kind voelde ik al dat er iets mis was, omdat hij veel te mooie schoenen droeg voor die tijd.”

Jullie komen terug

"Op 16 juli 1944 werden we vanuit de Euterpestraat naar het Huis van Bewaring aan de Weteringschans gebracht. De nacht tevoren was daar juist de fatale overval geweest van de bekende verzetsman Johannes Post, het bloed zat nog op de muur van de binnenplaats. Ik vond het daar heel eng. Op 20 juli 1944, mijn moeders verjaardag, werden we naar Westerbork gebracht. Onder Duitse bewaking liepen we door de lange gangen van het Huis van Bewaring. Jaren later werkte ik als advocaat in exact hetzelfde gebouw. Bij zeurende cliënten zei ik wel eens: ‘U weet dat u hieruit komt, ik wist dat, destijds in de oorlog, niet!’ De bewakers brachten ons met de tram naar Amsterdam Centraal Station. Terwijl we over de rails naar de ver van het perron verwijderde trein liepen, riepen werklieden om ons een hart onder de riem te steken: ‘Jullie komen terug!’”

Hoop

"Bij aankomst in Westerbork zag ik als eerste vanuit de trein de kleine houten huisjes van de bewakers in de zon. Als ik ‘s zomers door Cannes loop, met zijn kleine huisjes, moet ik altijd aan Westerbork denken. Eén dinsdag ging het noodlot aan ons voorbij, maar de volgende dinsdag moesten we op transport. Onze transportdata weet ik nog zo goed, omdat ze vreemd genoeg samenvielen met de verjaardagen in ons gezin. Op 20 juli was mijn moeder jarig. Op 1 augustus 1944, de verjaardag van mijn tweede vader, zijn we met het voorlaatste transport naar Bergen Belsen gebracht en dus hoopten we op míjn verjaardag, 17 september, terug te gaan... Maar dat laatste gebeurde helaas niet! In Bergen Belsen werden mensen met een dubbele nationaliteit ter uitwisseling gevangen gehouden en niet direct ter vergassing naar Polen gezonden. In 1944 zijn er ook werkelijk vanuit Bergen Belsen Joden met een dubbele nationaliteit in ruil voor Duitse krijgsgevangenen naar Palestina gestuurd. Die berichten gaven ons hoop.”

Recepten

“Zodra de bewakers ontdekten dat je luis had, moest je haar eraf. Als kind was ik ervan overtuigd dat ik meteen zou sterven als mijn haar er af ging. Ik heb de sjaal nog bewaard waarmee mijn moeder en ik iedere dag eindeloos fanatiek onze haren stofkamden. We kregen alleen maar koolsoep. Je kreeg per dag slechts één centimeter kuch rantsoen. De roman ‘Pallieter’ van Felix Timmermans, met uitvoerige beschrijvingen van feestmaaltijden, circuleerde door het kamp. Op een of andere bizarre wijze vulden de gedachten aan al dat lekkere eten toch een beetje je lege maag. Rangen en standen deden er hier niets meer toe. Belangrijker was dat je op iemand kon bouwen. Een marktvrouw stond haar laatste stukje brood af, terwijl een notaris brood had gejat en in het kamp stond dat gelijk aan iemand de dood injagen!”

Anita Leeser-Gassan
Anita Leeser-Gassan. Foto: Ellen Lock

Het spoor bijster

"Mijn tweede vader is eens zo bont en blauw op zijn rug geslagen door een kapo, dat hij bijna niet meer kon lopen. Daarna kreeg hij een peer van de kapo om het goed te maken. Mijn tweede vader was van beroep commissionair in effecten, maar hij had opgegeven dat hij diamantair was. Hij is met andere diamantairs naar Oranienburg doorgestuurd. We hebben nooit meer iets van hem vernomen.Vanaf het einde van 1944 werden tienduizenden gevangenen uit de concentratiekampen uit de frontlinies door de SS ‘geëvacueerd’ naar Bergen Belsen. Het kamp werd een steeds grotere hel: er was geen voedsel meer, terwijl er telkens gevangenen bijkwamen. Er heersten dodelijke en besmettelijke ziektes zoals tyfus en tuberculose.Tegen het einde van de oorlog zijn mijn moeder en ik doodziek van de tyfus in een vrachtwagen geladen. Langs de kant van de weg zag ik opengesneden lijken, waar gevangenen de levers uithaalden, omdat je die kon eten. Vervolgens zijn we met een groot aantal doodzieke medegevangenen in een trein met veewagons gestopt die door de frontlinies reed. Onderweg stierven velen. We hadden de trein behangen met alle kledingstukken die nog enigszins wit waren om de geallieerde luchtmacht duidelijk te maken dat het geen oorlogstrein was. Op het treinstation Maagdenburg moesten we uit de trein stappen om nota bene met de kampbewaking onder de trein te schuilen voor het geallieerde en Duitse geschut. Na urenlange beschietingen werd het station Maagdenburg platgebombardeerd door de Geallieerden. De Duitsers wilden ons met de trein naar de gaskamers in Theresiënstadt rijden, maar toen we tussen de frontlinies vast stonden, wilden ze ons met trein en al in de Elbe storten. Uiteindelijk vluchtten onze Duitse bewakers uit angst voor de naderende Russische troepen.”

Bevrijding

"Op 23 april 1945 zijn we in Tröbitz door drie Russen te paard bevrijd. De Russen dwongen de lokale bevolking ons, uitgemergelde mensen met besmettelijke ziekten, in hun huizen op te nemen. Die mensen wisten niet wat hen overkwam! Velen uit Tröbitz zijn door ons besmet en gestorven. Na een paar weken aansterken zijn wij overgebracht naar Leipzig. We zijn door het Franse Rode Kruis gerepatrieerd. In een ziekenboeg voor displaced persons in een school in Maastricht kwam mijn vader opeens met mijn tante binnenlopen. Ik vloog hem direct om de hals. Hij herkende mij niet onmiddellijk, want ik woog nog maar 23 kilo. Hij was via Zwitserland speciaal naar Engeland gegaan om bij de Engelse repatriëring te werken om ons te kunnen zoeken. Eerst is hij naar Bergen Belsen gegaan. Vervolgens is hij alle stations afgereisd die de trein had aangedaan. Bij Maagdenburg raakte hij het spoor echter bijster, omdat met het bombardement op het station ook de registratie verloren was gegaan. Toevallig trof hij ons in Maastricht, waar hij voor zijn werk moest zijn. Hij bracht ons in zijn legerauto naar Amsterdam. Het weerzien met hem voelde voor ons pas echt als bevrijding. Mijn ouders zijn na de oorlog weer bij elkaar gekomen. Mijn vader heeft vanuit de repatriëring nog heel lang tevergeefs naar mijn tweede vader gezocht."

Gerechtigheid

"Mijn gevoel voor rechtvaardigheid is zeer gesterkt door mijn oorlogsverleden. Omdat je zo onrechtvaardig bent behandeld, wil je dat de wereld juist wel rechtvaardig is of wordt. Bij mijn grootvader, een diamantslijper, hing een portret van de destijds bekende vakbondsman Henri Polak. Hierdoor geïnspireerd ben ik aanvankelijk arbeidsrecht gaan studeren, maar het werd uiteindelijk de advocatuur. Na verloop van tijd wilde ik ook wel eens zelf recht spreken.Tien jaar geleden ben ik met een groep overlevenden teruggegaan naar Bergen Belsen. Er was niets meer van over. De Britten hebben het platgebrand om besmettelijke ziekten te bestrijden. Van een reisgenoot hoorde ik dat de ergste kampbeul na de bevrijding levend begraven is in de kuil die hij voor de lijken moest graven. Alleen al vanwege dit voor mij bijzonder verlichtende bericht was de reis ontzettend de moeite waard! In de loop der jaren had ik de geschiedenis van deze beul geprobeerd te achterhalen op foto’s in boeken of in musea. Zo zocht ik hem op foto’s van Bergen Belsen in het Holocaustmuseum in Washington en in andere oorlogsmusea, maar nergens stond zijn naam vermeld of was zijn foto te zien. Eindelijk gerechtigheid!Met mijn onderduikmoeder, tante Dicky, en haar kinderen heb ik nog tot haar dood, een paar jaar geleden, intensief contact gehad. Ieder jaar krijg ik op 4 mei bloemen van haar zoon. Hoe is het mogelijk dat je zes onderduikers in huis neemt? Ik vraag me wel eens af of ik dat zelf wel zou kunnen opbrengen.Als ik iemand voor de eerste keer ontmoet, dan flitst er nog dikwijls door mijn gedachten: ‘Had ik bij jou kunnen onderduiken?’ Pas toen ik vijfenveertig jaar geleden Israël bezocht, was ik voor het eerst van mijn leven vrij van die gedachte.”

Interview: Ellen Lock, PUR-cliëntenblad Aanspraak, maart 2006.