‘Bij de herdenking van de Junyo Maru ontdekte ik meer over mijn vaders levenseinde.’

Aarnout Loudon vertelt over zijn Japanse gevangenschap en het verlies van zijn vader bij een scheepsramp in Indië.

Oud-AkzoNobel topman Aarnout Loudon gaf onlangs een televisie-interview in het kader van de Nationale Herdenking 15 augustus 2020. Vandaar dat wij hem graag uitvoeriger wilden spreken over zijn oorlogservaringen. Zijn vader was een van de slachtoffers van een grote scheepsramp met het Japanse vrachtschip Junyo Maru. Als kleine jongen van vijf jaar zag hij zijn 33-jarige vader voor het laatst.

Op 18 september 1944 werd de Junyo Maru door een Engelse onderzeeër getorpedeerd voor de kust van Sumatra. Aan boord was echter geen vracht, maar het schip was volgeladen met geallieerde krijgsgevangenen en romoesha’s, Indonesische dwangarbeiders, bestemd voor de tewerkstelling aan de Pakan Baroe Spoorweg op Sumatra. Onder de krijgsgevangenen bevonden zich Amerikanen, Australiërs, Engelsen en Nederlanders.

Aarnout, vader Hugo, Francis Loudon en moeder Henriëtte Loudon-Snouck Hurgronje voor de oorlog in Batavia. Foto: Familiealbum Aarnout Loudon.

Kaketoes in onze tuin

Aarnout Loudon vertelt: ‘Wij hebben nooit geweten hoe mijn vader, Hugo Loudon, precies aan zijn einde is gekomen. Hij werkte op het Ministerie van Koloniën in Den Haag. Voor de oorlog trouwde hij met mijn moeder Henriëtte Snouck Hurgronje. Op 10 december 1936 werd ik geboren in Den Haag en ook mijn broertje Francis werd nog in Nederland geboren op 1 juni 1938. Kort daarop werd mijn vader overgeplaatst naar Batavia als lid van de Algemene Secretarie van de Gouverneur-Generaal van Indië. Mijn ouders vertrokken met jonge kinderen op de boot naar Indië. Eind 1938 arriveerden we in Tandjong Priok, de haven van Batavia. We kregen een woning op de Soendaweg in Batavia. Ik herinner me de mooie kaketoes in de kooien in onze tuin. Al snel ontmoette ik mijn jeugdvriend Casijn van Till.’

Aarnout Loudon, vijf jaar.
Aarnout, 5 jaar, met Francis, 3 jaar.
Mijn jeugdvriend Casijn van Till en ik.

De laatste herinnering aan mijn vader

‘Na de Japanse aanval op Pearl Harbor op 7 december 1941 moest mijn vader zich melden bij het Koninklijk Nederlands Indisch Leger. Als laatste herinnering zie ik hem als lid van de stadswacht voorbij marcheren, waarschijnlijk om de burgerij te tonen hoe weerbaar wij waren met het oog op het naderende conflict met Japan. Dit zal eind 1941 of begin 1942 geweest zijn, hij was drieëndertig jaar en ik vijf. Samen met mijn moeder en broer keek ik naar dit militaire defilé. Ik vond het jammer dat hij niet terugzwaaide. Daarna hebben we hem nooit meer gezien.’

Moeder werd door de Kempeitai gevangengenomen

‘Enkele maanden na de Nederlandse capitulatie op 8 maart 1942 is mijn moeder door de Kempeitai - de Japanse militaire politie - gevangengenomen. Ze heeft daar als straf heel lang in vier ringen gehangen en moest gymnastiek bruggetjes maken, terwijl ze werd ondervraagd. Ze heeft mij nooit verteld wat ze wilden weten. Het zal waarschijnlijk met mijn vaders werk te maken hebben gehad.

In oktober 1942 moest mijn moeder met ons naar het vrouwenkamp Kramat, gelegen in een woonwijk in Batavia. Ik was vijf jaar toen ik dit kamp in moest en nam mijn fiets mee om er te leren fietsen. Mijn moeder nam een koffer met het hoognodige mee en een rugzak met daarin het bronzen beeld van een paard. Aan dit huwelijkscadeau van zijn broer was mijn vader zeer gehecht. We kregen een kamer in een woonhuis waar mijn moeder de kussens van de bank wegliet uit angst dat deze meegenomen zou worden door de Japanners.’

Dwarrelende vliegers in kamp Tjideng

‘Op 23 augustus 1943 moesten 2.500 vrouwen en kinderen van kamp Kramat naar kamp Tjideng, ook in Batavia gelegen. Bij ons vertrek vertrouwde mijn moeder mij de zorg over het bronzen paard toe. Ze zei: “Van nu af aan ben jij verantwoordelijk voor het paard. Je vader zal heel blij zijn als hij dat beeld na de bevrijding terugziet. Je vader is erg op dit paard gesteld, thuis nam hij het soms in zijn handen. Het is een huwelijkscadeau van zijn oudste broer.”

In Tjideng werden vrouwen wreed gestraft door de beruchte kampcommandant Sonei. Wij moesten tweemaal per dag langdurig op appèl staan. Naast de appèlplaats waren de geesteszieken ondergebracht die steeds engere geluiden maakten. ’s Ochtends kregen we stijfselpap en ’s avonds waterige groentesoep. Je had voortdurend honger.

Mijn jeugdvriend Casijn van Till ontmoette ik weer in kamp Tjideng. Samen sprongen wij daar over de slootjes van de gaarkeuken op zoek naar kleine stukjes sambal, goed voor de vitamine C. De meeste indruk op mij maakten de vliegers in het kamp Tjideng. De grote jongens maakten met hars uit de bast van naaldbomen een lijm waarmee ze langs het vliegertouw glasscherfjes vastlijmden. Dan was het de kunst om tijdens het vliegeren de vliegers van anderen uit de lucht te snijden. Het waren spannende luchtgevechten met vliegers tussen de jongens in het kamp en de buitenkampkinderen die veel mooiere vliegers hadden, zodat de jongens in het kamp die probeerden neer te halen. Ik was te klein voor het vliegeren, maar het was zo mooi om naar te kijken en de vliegers omlaag te zien dwarrelen.’

Een vreselijke straf

‘Met vrachtwagens werden we naar kamp Tangerang gebracht, gehuisvest in de oude jeugdgevangenis Tanahtinggi, gelegen ten westen van Batavia. Aan kamp Tangerang heb ik weinig herinneringen. In dit kamp werden wij ondergebracht in de barakken waarin koelies voor de Deli tabaksplantages hadden gewoond. Joodse en Joods-Irakese vrouwen en kinderen werden in aparte barakken gehuisvest. Wij sliepen in een barak met alleen maar Nederlandse vrouwen en kinderen.

Daar was een Japanner, die wij Flappie noemden, vanwege de flappen van zijn pet in zijn nek tegen de zon. Hij maakte in de gaarkeuken kleine dammen voor het afvalwater. Toen Irakese kinderen de dammen hadden doorgeprikt, liet hij hen als straf met hun blote voeten op een gloeiendhete ijzeren plaat staan. Dit was vreselijk om te zien, laat staan om mee te maken. In kamp Adek moest mijn moeder vanwege een hevige maagziekte en dysenterie naar een ziekenbarak. Francis en ik vonden twee sigaretten bij moeder die zij bewaarde voor de bevrijding. Zij lag bij het open raam en mijn broer en ik staken allebei een sigaret op.’

Korte broeken van parachutestof

‘Pas in augustus 1945 na de capitulatie van Japan zijn we door Brits-Indische troepen bevrijd. Wij hoorden in ons laatste kamp, Adek, dat mijn vader de scheepsramp met de Junyo Maru niet had overleefd. Van de bevrijding herinner ik me dat Lady Mountbatten door kamp Adek liep en vanuit een wagen make-up uitdeelde. Er werden pakketten voedsel aan parachutes gedropt. Vrijwel alle vrouwen waren meer in de parachutestof geïnteresseerd dan in de voedselpakketten, want van de stof konden ze kleding maken. Mijn moeder maakte er keurige korte broeken voor ons van. De Brits-Indische soldaten brachten ons naar Hotel Daendels in Batavia, dat als opvanghotel werd gebruikt. Daar waren deze strijdtroepen naast gevestigd om ons te beschermen. Zij droegen lange baarden en een tulband. En ze waren ontzettend aardig, want ik mocht meerijden in een jeep. Mijn broer en ik hadden al zo lang geen volwassen mannen meer gezien, dus we vonden hen interessant.’

Op de boot om in Amerika aan te sterken

‘Mijn vader was de jongste van drie zonen. Zijn middelste broer werkte bij Shell in Venezuela en regelde dat ons gezin vanuit Singapore per boot naar Amerika kon vertrekken. In New York was ik diep onder de indruk van het Vrijheidsbeeld. In de trein naar Californië legde mijn moeder ons in een slaapcoupé en hoopte dat ze een drankje kon bestellen in de treinbar. Maar de staat Texas waar we toen doorheen reden was drooggelegd, dus er was geen drank verkrijgbaar. We konden bij een oom en tante in Californië aansterken. Op 29 juni 1946 arriveerden we per vliegtuig op Schiphol, waar we veel Hollandse vlaggen zagen wapperen in verband met de verjaardag van prins Bernhard.’

Francis en Aarnout Loudon in Californië, 1946.

Indische jongens

‘Toen we terug waren in Nederland heeft mijn moeder het bronzen beeld van het paard aan mij gegeven. Het heeft altijd op mijn bureau gestaan en is een herinnering aan mijn vader. Om eerlijk te zijn had ik toen nog geen traan om de dood van mijn vader gelaten. Wij waren nog zo jong en hadden zeer beperkte herinneringen aan hem. Pas toen ik twaalf jaar werd en andere jongens allerlei spannende dingen zag doen met hun vader, miste ik hem. Mijn moeder was een sterke vrouw die tijdens de oorlog steeds de indruk wekte dat alles gewoon was en dat er absoluut geen reden was om medelijden met jezelf te hebben. Dat is ook de indruk die ik aan de oorlog heb overgehouden. Daarom heb ik geen last gehad van een oorlogstrauma.

Het bronzen paard waar mijn vader erg op was gesteld.

In Den Haag ging ik naar de vijfde klas van de Haagsche Schoolvereniging aan de Nassaulaan. Daarna ging ik naar het Eerste Vrijzinnig Christelijk Lyceum en daar heb ik mijn diploma gymnasium-b gehaald. Op mijn lagere school had ik een verschrikkelijk onaardige leraar die vertelde hoe je kaas kon bereiden. Hij zei: “Als jullie niet van kaas houden, mogen jullie mij die kaasbonnen geven.” Veel schaarse producten bleven na de oorlog ook nog op de bon verkrijgbaar. Wat orde betreft was de school heel streng en dat was voor ons erg moeilijk. Het was ons als kampkinderen door de Japanners verboden om les te krijgen, dus het rechtop blijven zitten in de schoolbanken was voor mij al een beproeving. Hollandse jongens daagden me wel uit, maar durfden niet met me te vechten. Wij Indische jongens hadden de reputatie dat we heel gemeen vochten.’

Herdenking van de Hell Ships

‘In 2013 vond een herdenking plaats van de ‘Slachtoffers van de Japanse zeetransporten’ in Bronbeek waarbij ik samen met mijn broer Francis aanwezig was. Deze zeetransporten werden door de Japanners gebruikt om arbeidskrachten, bestaande uit krijgsgevangenen en romoesha’s, te vervoeren voor de bouw van bruggen, vliegvelden en spoorwegen. Ze kregen de naam ‘Hell Ships’ omdat de bewakers zo’n wreed regime handhaafden en de schepen zo smerig waren van de dwangarbeiders met dysenterie, dat door de onmenselijke omstandigheden al slachtoffers vielen voordat de Hell Ships officieel ‘hun lading’ losten. 

Het beruchtste schip was de Junyo Maru, dat op 18 september 1944 werd getorpedeerd door de Engelse onderzeeër HMS Tradewind. Dat kan de Britse Marine niet kwalijk worden genomen, want de Japanners hielden zich niet aan internationale oorlogsconventies voor het vervoer van krijgsgevangenen. Het schip droeg alleen een Japanse vlag, dus geen witte vlag met een rood kruis en op de zijkant van het schip was geen rood kruis geschilderd, de tekenen voor krijgsgevangenen aan boord. De Junyo Maru zonk in een kwartier. In totaal zijn er circa 5.600 van de 6.500 opvarenden omgekomen waarmee het één van de grootste scheepsrampen aller tijden is geworden. Het grootste aantal doden viel onder de romoesha’s met circa 4.000 mannen en daarnaast circa 1.600 Nederlandse, Engelse, Amerikaanse en Australische krijgsgevangenen.’

Vader, Hugo Loudon, in zijn stadswacht-uniform in Batavia, vlak voor zijn internering.

Een fatale keuze

‘Mijn vader was ambtenaar, maar ook lid van de stadswacht van Batavia en achteraf was dat de directe schakel met de ondergang van de Junyo Maru en zijn dood. Na de capitulatie voor de Japanners werd hij met alle stadswachters voor de keuze gesteld of hij als militair wilde worden beschouwd of als burger. Zoals de meeste stadswachters koos hij voor het militaire karakter van deze organisatie, waarschijnlijk omdat men als krijgsgevangene een betere behandeling verwachtte dan als burger in een concentratiekamp. Achteraf is deze keuze hem fataal geworden, want als burger zou hij wellicht nooit op dit zeetransport met krijgsgevangenen, maar in een mannenkamp terecht zijn gekomen. Op de lijst van slachtoffers van de Junyo Maru staat dat hij sergeant van het KNIL was.’

Aarnout Loudon: Bij mijn pensionering in 2004. Foto: Adriaan Mazel.
Aarnout Loudon: Bij mijn pensionering in 2004. Foto: Adriaan Mazel

Een bijzondere ontmoeting

‘Mijn broer Francis en ik ontmoetten bij deze herdenking in 2013 één van de overlevenden, vaders vriend, de heer Willem Punt. Hij had met mijn vader in het krijgsgevangenenkamp Struiswijk in Batavia gezeten. Hij vertelde ons onverwachts hoe mijn vader aan zijn einde was gekomen. Op dat moment wist ik alleen dat mijn vader de torpedering had overleefd en de eerste nacht in zee had rondgedobberd. Iemand riep hem in het donker en hij antwoordde nog.

Willem Punt vertelde ons: “De volgende dag kwam er een Japans korvet, dat de Junyo Maru had geëscorteerd, terug om een aantal drenkelingen op te halen. Het was de kunst om gered te worden, want daar waren strenge regels voor. Als de Japanse commandant een eerste fluitsein had gegeven, mochten de drenkelingen aan boord worden gehaald. Ikzelf werd nog binnen de tijd uit zee gered. Na een tweede fluitsein moesten de Japanners stoppen met het redden en werd niemand meer toegelaten. Het tweede fluitje had al geklonken toen ik jullie vader uit het water trok en de Japanners hadden gezien dat hij dus te laat aan boord was. Ik wilde Hugo nog verbergen tussen de mannen op het achterdek, maar de Japanners hadden hem in de gaten en droegen hem op weer in zee te springen. Jullie vader moest die order opvolgen. Wij protesteerden hevig, maar Hugo gehoorzaamde. Hij liep naar de rand van het schip en sprong kalm en waardig in zee. We riepen hem nog na: ‘We komen terug om je te halen.’ De Japanners lieten dat niet toe en hij stierf met vele anderen de verdrinkingsdood.”

Als we niet naar die herdenking waren gegaan, dan hadden we dit laatste puzzelstukje nooit gevonden. Deze ontmoeting met de heer Punt is voor mij een beloning voor officieel herdenken geworden. Voor ons was het belangrijk om van zijn goede vriend dit indrukwekkende verhaal over vaders laatste momenten nog te kunnen horen. Sindsdien ga ik elk jaar naar de herdenking van de slachtoffers van de Hell Ships.’

Interview: Ellen Lock, SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak, September 2020.