Mijn vader was getekend door de oorlog

Na de Slag in de Javazee herkende Annemarie ten Brink haar vader niet terug.

Aan het begin van de oorlog in Nederlands-Indië was Annemarie ten Brink 11 jaar. ‘Tijdens de Slag in de Javazee op 27 februari 1942 was haar vader commandant van een mijnenlegger. Op 2 maart 1942 liet hij zijn schip zinken in de haven van Batavia om te voorkomen dat het in handen van de vijand zou vallen. Hij wist op tijd van zijn schip te verlaten in een sloep. Hij meldde zich bij het hoofdkantoor van de Marine in Bandoeng, waar hij ruzie kreeg en werd weggestuurd. Intussen was de invasie van de Japanners gaande, waardoor hij er vier dagen over deed om bij ons te komen. Getekend door de oorlog kwam hij bij ons terug.’ Annemarie herkende haar vrolijke vader niet terug. 

Hij was nerveus en wilde dat iedereen in huis bleef. Zij wilde buitenspelen en kreeg flinke aanvaringen met hem. Tijdens de Japanse bezetting overleefde haar vader het mannenkamp Kesilir in Oost-Java niet. Zijn verlies liet diepe sporen bij haar na.

Annemarie ten Brink, 2025

Liefde op het eerste gezicht in Soerabaja

‘In 1928 leerden mijn ouders elkaar kennen op een feest van mijn moeders roeivereniging in de haven van Soerabaja. Mijn vader, Bernard ten Brink, was luitenant-ter-zee en commandant van een mijnenlegger. Hij meerde zijn schip aan in de haven en bezocht het roeifeest met zijn vriend, Harry Pröpper, een jaargenoot van vader. Hij ontmoette daar mijn moeder, Henriëtte Voorduin, die uit was met haar zus. Het was liefde op het eerste gezicht. 

Ze dansten die hele avond met elkaar. Aan het eind van de avond wilde mijn vader de week erna weer met haar afspreken. Vanaf die tweede afspraak was het voorgoed aan tussen die twee. In 1929 trouwden mijn ouders in Soerabaja en vaders collega trouwde met mijn moeders jongere zus. Tot haar trouwen was mijn moeder onderwijzeres.’

Vader en moeder in Soerabaja, 1940.

Het buitenleven in de tropen

‘Begin januari 1930 kregen mijn ouders hun eerste kind, Henriëtte, in Soerabaja. Op 19 maart 1931 werd ik daar ook geboren. Ze noemden mij Annemarie. Het was bij de Marine gebruikelijk om na 5 jaar in de koloniën weer 5 jaar in Nederland te wonen. Hierdoor werd in 1934 Mathilde in Vlissingen geboren en in 1937 kwam onze broer Jan er ter wereld. Jan was drie maanden oud toen vader met zijn gezin voor de tweede keer naar Indië werd uitgezonden. Mijn moeder vond het fijn dat ze weer naar Indië vertrokken, want ze hield meer van het buitenleven in de tropen. In Soerabaja hadden we een vrijstaand huis met een grote tuin en we speelden altijd buiten. We spraken Maleis met ons personeel. Baboe Ischa deed het huishouden en hield ons, kinderen, een beetje in de gaten. Onze djongos, de huisbediende, was een wat gereserveerde man. En kokkie was altijd beschikbaar in de keuken en verwende ons met rozijnen. Mijn vader bracht een zwartharige teckel voor ons mee, waar ik dol op was. Ik ging met mijn zussen naar de lagere school, de Simpangschool in Soerabaja.’

Als kind speelde ik graag in de tuin, 1935.
Bij de Marine in vredestijd deed vader onder andere landmetingen in Nieuw-Guinea.

Vader was veranderd

‘Na de Nederlandse oorlogsverklaring aan Japan op 7 december 1941 werd mijn vader konvooileider. Hij voer daarbij op de mijnenlegger, de Hr. Ms. Rigel, langs de zeemijnen die hij zelf had gelegd. Na de Slag in de Javazee op 27 februari 1942 liet vader zijn schip op 2 maart 1942 opzettelijk zinken in de haven van Batavia, om te voorkomen dat het in handen van de vijand zou vallen. Hij wist op tijd in Batavia aan wal te komen en voegde zich bij het hoofdkantoor van de Marine in Bandoeng. Waarschijnlijk omdat hij al heel erg gestrestst was, kreeg hij daar ruzie waardoor zij hem wegstuurden. 

Op 8 maart 1942 was de Nederlandse overgave. Elf dagen later kwam mijn vader onverwachts thuis. Het was op mijn elfde verjaardag, 19 maart 1942. Hij kwam met grote passen aangelopen en keek heel streng en angstig. Ik stond bij ons tuinhek en rende blij naar hem toe, maar hij duwde me van zich af. Vader reageerde heel anders dan ik had verwacht! Hij liep snel door naar binnen waar mijn moeder was, zonder iets tegen mij te zeggen. Als kind begreep ik hier helemaal niets van. Hij wilde alleen mijn moeder spreken met de deur dicht over alle ellende die hij meegemaakt had tijdens de Slag in de Java. Van een vrolijke en aardige vader was hij opeens heel streng geworden. Mijn vader en moeder waren dagenlang samen aan het praten, waar wij kinderen niet bij betrokken werden. Vader wilde ons beschermen tegen de vijand. Ik was een ondernemend kind en wilde zo graag buitenspelen, maar dat mocht niet van hem en ik verwenste hem daarom. Hij was bang dat ik zou verraden dat hij thuis was. Daarom hadden vader en ik dagelijks ruzie over van alles. Ik was een opstandige puber en hij vreesde voor zijn gezin.’

Mathilde, Annemarie, Jan en Henriëtte in Soerabaja bij de fotograaf, 1941.

Op de vlucht voor de Japanners

‘Vader vond dat we met de auto moesten vluchten voor de Japanners naar Batoe in de bergen. Daar bouwde hij een klein kamponghuis op een stukje grond in de tuin van onze familie. In april 1942 namen de Japanners de stad Soerabaja in. De Japanners trokken ook de bergen in. Ze hingen pamfletten aan de bomen met een meldplicht voor alle Europese mannen. Mijn vader was voortdurend bang om opgepakt te worden. De kampongbewoners waren al niet meer vriendelijk tegen ons. In juli 1942 moest mijn vader zich melden en werd geïnterneerd in Malang op Midden-Java. Op verzoek van mijn vader vertrok mijn moeder met haar vier kinderen naar een hotel in Batoe.’

Een kort bezoek aan vader in het mannenkamp

‘Mijn moeder bezocht vader tweemaal in het mannenkamp in Malang en de tweede keer mochten wij mee. Hij mocht in de voortuin van het kamp bij een muur komen, waar vader en moeder elkaar kort konden spreken. Zij zette mij en mijn oudste zus op de kampmuur zodat we hem ook zagen. Hij zag er ouder, mager en verwaarloosd uit met een baard. Zijn donkere haar was grijs geworden. Na ons bezoek werd hij overgebracht naar het kamp Kesilir, waar een landbouwkolonie werd opgezet door de Japanners. In dit grote mannenkamp moesten ongeveer 3.000 gevangenen, Europeanen en Indo-Europeanen, zelf hun barakken bouwen. Op 6 juli 1942 startte de Japanse kampcommandant met de ontginning van circa 2.500 hectare moerasland, om er mais, sojabonen en groene erwten te verbouwen.’

Een telegram van het ziekenhuis

‘In ons hotel in Batoe kreeg moeder een telegrambericht in het Maleis van het ziekenhuis in Glenmore op Oost-Java dat vader stervende was. Gelukkig waren er aardige Chinezen die haar met een taxi naar de spoorbrug brachten. Te voet moest zij haar weg vervolgen over die hoge spoorbrug over het ravijn. Halverwege durfde ze niet meer voor of achteruit te lopen vanwege hoogtevrees. Uiteindelijk bereikte ze het ziekenhuis. Vader kwam maar even bij bewustzijn en hij herkende moeder. Ongerust over zijn zoon zei hij alleen diens naam: “Jantje!” Aan de Europeanen werden geen medicijnen verstrekt. Op 7 augustus 1942 stierf hij op 37-jarige leeftijd door een rattenbesmetting van het drinkwater aan de ziekte van Weil. Na zijn overlijden keerde moeder terug naar ons hotel in Batoe. Wij hadden haar een maand niet gezien en waren erg ongerust.’

Het vrouwenkamp ‘De Wijk’ in Malang

‘Eind augustus 1942 pakten de Japanse soldaten alle Hollandse vrouwen en kinderen op en werden we in open vrachtwagens naar het vrouwenkamp ‘De Wijk’ in Malang gebracht. Dit kamp lag midden in een woonwijk en was omgeven met prikkeldraad en met gedek, een hoge bamboe afrastering. In het begin was er nog ruilhandel mogelijk met de Javanen bij de poort van het kamp die ’s morgensvroeg open was. We kregen voor ons vijven een kleine slaapkamer in een stenen huis toegewezen. Onze hond werd bij ons weggehaald. In februari 1944 werd het vrouwenkamp De Wijk leeggehaald en wij werden in geblindeerde treinwagons naar Semarang op Midden-Java gebracht. 

Voordat we op transport gingen knipte mijn moeder snel onze vlechten af om ons minder aantrekkelijk te maken. Dat vonden we niet leuk. Ze was doodsbang dat haar drie dochters aantrekkelijk gevonden zouden worden door de Japanners. De treinreis duurde 24 uur vanwege het vele rangeren, waarbij de Japanners hard schreeuwden en vloekten. Voedsel en water werden niet verstrekt. Vanaf het station Semarang werden we naar het kamp Karangpanas gebracht. Dit was gevestigd in een rooms-katholiek jongensweeshuis aan de straat Karangpanas. Voor de oorlog was dit bestemd voor 400 jongens, maar van 10 februari 1944 tot 28 november 1944 was het een burgerkamp voor 2.500 mannen, vrouwen en kinderen.’

Als een kind iets verkeerd deed, kreeg de moeder straf

‘De slaapzalen waren overvol en daardoor heersten er vele besmettelijke ziektes, mede veroorzaakt door het gebrek aan toiletten. We kregen allemaal last van ernstig vitaminetekort en diarree. Mijn oudste zus kreeg malaria met hoge koorts, die steeds terugkeerde. Zij was mijn moeders zorgenkind, want er waren geen koortsverlagende medicijnen. Het eten bestond uit sagopap met vieze schijfjes paarse onrijpe bananen. Als tweede maaltijd kregen we witte rijst en een schepje groenten. Wij raakten ondervoed en vermagerden snel. Het kamp was vergeven van de vliegen en de vliegenplaag werd alleen maar erger. De Japanners verplichtten alle kampbewoners om dagelijks 100 vliegen in te leveren. Pas als je er echt 100 had gevangen, kreeg je 1 bakje rijst per dag. 

De Japanse kampcommandant keek nauwlettend toe of er aan ruilhandel over de hoge bamboe kampafrastering werd gedaan. Wanneer hij iemand zag smokkelen werd diegene hard gestraft. Tweemaal daags moesten we op appel staan, diep buigen en Japans groeten en tellen. Steeds opnieuw telden de kampbewakers ons. Ze schreeuwden en sloegen de vrouwen hard. Als een kind iets verkeerd deed, kreeg de moeder straf, dus je liet dat wel uit je hoofd. Ze bedachten de meest wrede straffen waar we verplicht naar moesten kijken. In de vrouwenbarak lag naast ons een mevrouw met een drie maanden oude magere baby. Zij vreesde voor het leven van haar kind. Het was verschrikkelijk om dit verdriet te zien en niets te kunnen doen. Dagelijks gingen er medegevangenen dood. Hun lijken werden het kamp uitgedragen. Een Japanse bewaker kondigde aan dat je je kon opgeven voor een ander kamp. Na vier maanden in dit vieze overvolle kamp schreef mijn moeder zich als eerste in voor het vertrek naar kamp Ambarawa 6.’

Het vrouwenkamp Ambarawa 6

‘Op 5 juni 1944 vertrokken we met een transport van 500 vrouwen en kinderen in vrachtwagens naar het kamp Ambarawa 6. Dit kamp was gevestigd in oude KNIL-barakken omheind door bamboevlechtwerk met prikkeldraad en het werd bewaakt door Japanse soldaten. Het krioelde er van de wandluizen. Er was een grote keuken en er waren aparte wasbakken en smerige toiletten. Mijn moeder, mijn zussen en ik hadden corveetaken, zoals het omspitten van de Japanse groentetuin of het schoonmaken van de toiletten. Mijn moeder maakte in de gaarkeuken groente schoon en mijn broer Jan ging vaak met haar mee. Eenmaal was hij stiekem door het riool gekropen tot buiten het kamp om Javaanse amandelnoten te halen. Jan werd gepakt door een kampbewaker en bij de kampcommandant gebracht. Die kampcommandant was eerst heel boos, maar ineens zag hij dat mijn broer nog maar een kind was en hij stuurde hem weg.’

De gewelddadige Bersiap-periode

‘Na de capitulatie van Japan brak de gewelddadige Bersiap-periode aan, waarbij de Indonesische vrijheidsstrijders het op de Europeanen hadden gemunt. Zij wilden hen hun Republiek Indonesië uitjagen. ‘Bersiap’ betekent ‘Wees paraat!’. De vrijheidsstrijders schoten op de kampbewoners vanuit de bomen langs het kamp. Na weken van beschietingen arriveerden Brits-Indische soldaten, die terugschoten op de vrijheidsstrijders. Zodra onze route veilig was verklaard, werden we door het Brits-Indische leger in een colonne open vrachtwagens naar Semarang gebracht. Onderweg verstopten we ons achter matrassen ter bescherming tegen mogelijke kogels van Indonesische vrijheidsstrijders. Gelukkig werd er tijdens onze evacuatie niet geschoten. In Semarang kregen we een klein huis toegewezen in een door de Engelsen bewaakte wijk, want het bleef gevaarlijk in de stad. Begin 1946 vertrokken we onder Brits-Indische bescherming vanuit de haven van Semarang met het Engelse passagiersschip Dunera naar Ceylon. Op Ceylon werden we gastvrij ontvangen in een Engels militair kamp. We kregen heerlijk te eten en er was goede medische zorg. We kregen weer lager onderwijs van een enthousiaste Nederlandse onderwijzer. In april 1946 voeren we met het Britse passagiers- en koopvaardijschip Ruys naar Nederland.’

Moeder, Mathilde, Jan, Annemarie en Henriëtte ten Brink, Harderwijk 1947.
Annemarie op de kweekschool, 1950.

Het gemis van vader was groot

‘Op 4 mei 1946 arriveerden we in de haven van IJmuiden. Alle marinemensen van ons schip werden in Huize Doorn opgewacht met warme chocolademelk. Daarna werden we hartelijk door mijn lieve, oude grootouders Ten Brink ontvangen in Den Haag. We kregen een slaapkamer in hun huis voor ons gezin. Al gauw vulden ook vaders zus met haar echtgenoot en drie kinderen het huis, waardoor mijn zus Henriëtte en ik bij andere familie werden opgenomen. Bij het zien van haar schoonfamilie was het gemis van vader voor mijn moeder extra groot. 

Binnen een half jaar vond mijn moeder een vakantiehuis op de Veluwe. Mijn zus en ik deden de hbs in Harderwijk en we moesten veel lesstof inhalen. In 1950 ging in naar de kweekschool. Ik ben docente tekenen geworden totdat ik trouwde in 1952. Uiteindelijk kreeg ik zes kinderen en ben gescheiden in 1966. Ik geniet van mijn kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen. Sinds mijn pensioen geef ik gastlessen op scholen en lezingen over de Tweede Wereldoorlog. Als kunstenares maakte ik collages over mijn oorlogsherinneringen. De expositie van mijn collages was te zien in het Museum Sophiahof in Den Haag.’

Annemarie ten Brink met haar boek ‘Vrede in mijn hart’, 2025.

Ik vond eindelijk vrede met ons oorlogsverleden

‘Dertig jaar na de oorlog, in 1985, voelde ik mij nog steeds schuldig over mijn verwensing en de dood van mijn vader. Ik had heimwee naar mijn moederland en wilde mijn vaders graf bezoeken. Volgens mijn moeder was hij op een Chinese begraafplaats in Glenmore op Oost-Java begraven. In Jakarta vond ik een behulpzame gids, die me de tijd gunde om daar alleen afscheid te nemen. Tussen de graven zat ik op een steen en dacht: ‘Vreemd dat mijn vader als zeeman hier is begraven, zo verdwaald tussen de djatibomen en koffieplantages.’ Naast me stroomde een bergbeekje en ik wist ineens: ‘Alle water vloeit naar zee en alles is met elkaar verbonden, ook al ligt hij ver weg.’ Ik zag in dat mijn vader nergens schuld aan had en ik ook niet. Door de oorlog was hij een beschadigd mens en ik een tegenstribbelend kind dat niets van hem begreep. Nu ik zelf ouder was, begreep ik zijn zorgen en angsten beter. Hij wilde ons alleen maar beschermen. En met deze positieve ingeving vond ik eindelijk vrede met ons oorlogsverleden. En dat gun ik iedereen!’

Interview: Ellen Lock, SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak December 2025.